Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 3voeren aan, samengevat, dat het hof heeft miskend dat de woorden ‘
zoveel mogelijk’ in art. 4:218 lid 5 BW Pro niet meebrengen dat de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel tegen de beschikking van de kantonrechter op het verzet beperkt is tot (i) het rechtsmiddel beroep in cassatie, en wel (ii) op een bijzondere termijn, zodat conform de hoofdregel van art. 358 leden Pro 1 en 2 jo. 261 Rv gedurende drie maanden hoger beroep openstaat. Ook/althans zou het hof hebben miskend dat deze beperkingen niet passen in het stelsel van de wet. Volgens
onderdeel 2heeft het hof miskend dat art. 187 Fw Pro uitsluitend ziet op beschikkingen van rechtbanken en niet (ook) op beschikkingen van kantonrechters.
het verzet’ ‘
zoveel mogelijk’ van overeenkomstige toepassing zijn?
parlementaire geschiedenisvan art. 4:218 BW Pro kan omtrent de (verdere) strekking van art. 4:218 lid 5 BW Pro het volgende worden ontleend.
Artikelen 4.5.3.11 en 12 [5] . In deze artikelen wordt aangegeven hoe na verkoop van de nodige goederen, die uitkering door de vereffenaar aan de schuldeisers en legatarissen zal plaats vinden. De regeling van de Faillissementswet is daarbij zoveel mogelijk tot voorbeeld genomen, met dien verstande dat de boedelrechter in plaats van de rechter-commissaris optreedt.
Afdeling 4.5.3. Algemeen.Ook in deze afdeling is de boedelrechter door de kantonrechter vervangen; men zie de artikelen (...) 11 leden 1 en 3 (...). Hierbij zij overigens gewezen op het nieuwe artikel 4.5.3.5b dat bepaalt dat de rechtbank die een vereffenaar benoemt, tevens een rechter-commissaris kan benoemen, in welk geval de taken en bevoegdheden van de kantonrechter door de rechter-commissaris worden uitgeoefend. Aan deze figuur zal in het bijzonder behoefte kunnen bestaan bij gevallen van vereffening die vergelijkbaar zijn met faillissement van de nalatenschap; men bedenke hierbij dat de artikelen 198-202 F. zullen worden geschrapt (zie reeds de toelichting van Meijers, blz. 358, eerste alinea), zodat ook in geval van een insolvente nalatenschap de afwikkeling zal plaatsvinden op de wijze in afdeling 4.5.3. bepaald, zulks tenzij de erflater zelf reeds failliet was verklaard. [10]
Artikel 4.5.3.11. (...) Voor zover de vordering van een legitimaris niet opeisbaar is (...) behoort de afwikkeling van de nalatenschap niet te worden belast met deze vordering. (...) Vandaar dat in het nieuwe lid 4 van artikel 4.5.3.11 bepaald wordt dat de niet-opeisbare legitimaire vordering niet in de uitdelingslijst dient te worden opgenomen. Het niet in de uitdelingslijst opnemen van deze vordering betekent dat zij in zoverre buiten de vereffening blijft en dat zij daarin dus ook niet ingevolge lid 5, in verbinding met artikel 131 Faillissementswet Pro, voor haar contante waarde wordt betrokken.” [13]
Artikel 676asomt alle beschikkingen ingevolge Boek 4 BW op waartegen voor partijen geen rechtsmiddelen openstaan.” [15]
rechtspraakbestaat verdeeldheid over de vraag welk rechtsmiddel openstaat tegen de beschikking op het verzet ex art. 4:218 lid 3 BW Pro.
literatuurkomt de voorliggende processuele vraag niet of nauwelijks aan de orde. Bij de bespreking van art. 4:218 lid 5 BW Pro en de daarin bedoelde ‘overeenkomstige toepassing’ van de Faillissementswet gaat het doorgaans slechts om materieelrechtelijke vraagstukken rond de ‘verificatie’ van bepaalde vorderingen. [21] Anders gezegd: de aandacht is toegespitst op de in lid 5 genoemde eerste twee aspecten (i) ‘berekening van ieders vordering’ en (ii) ‘het opmaken van de uitdelingslijst’.
Hoger beroep: Ja, tegen uitspraak in verzet” (p. 121). Dat ‘hoger beroep’ hier wellicht moet worden opgevat in ruime zin, namelijk als ‘rechtsmiddel’, zou kunnen worden afgeleid uit de tegenstelling die in de Handleiding wordt gemaakt met het
nietopenstaan van rechtsmiddelen tegen andere beschikkingen, zoals die op de voet van art. 4:218 lid 1 BW Pro (p. 119 “Hoger beroep: nee, zie art. 676a Rv”). [26] Wat daarvan zij, in de op de Handleiding aansluitende Richtlijnen Vereffening nalatenschappen (versie 2018) wordt bij de bespreking van het verzet (par. G4, p. 18-19) niet op het punt van eventuele rechtsmiddelen ingegaan.
onderdelen 1 en 3gezamenlijk behandelen. Deze zijn kennelijk toegelicht in het cassatieverzoekschrift onder ‘Toelichting’ (p. 3 e.v.) nrs. 1-7 en 16-36.
cassatieverzoekschrift, nrs. 27-30), niet alleen voor materieelrechtelijke ‘verificatie’kwesties, maar ook voor de regeling van het verzet, inclusief eventuele rechtsmiddelen, heeft willen aansluiten bij het stelsel van de Faillissementswet.
het verzet’ er één is, naast (i) de berekening van ieders vordering en (ii) het opmaken van de uitdelingslijst. Reeds in het Ontwerp Meijers, waarin de materieelrechtelijke bepaling van het huidige lid 4 niet voorkwam, werd voor de regeling van ‘
het verzet’ als bedoeld in lid 3 OM direct aansluitend in lid 4 OM verwezen naar overeenkomstige toepassing, zoveel mogelijk, van de voorschriften ‘dienaangaande’ in de Faillissementswet. [27]
het verzet tegen de uitdelingslijst” in het algemeen uitdrukkelijk is verwezen naar “
de artikelen 184 e.v.” van de Faillissementswet (hiervoor 2.8.5 [28] ), zonder de toevoeging dat art. 187 Fw Pro daarvan is uitgezonderd.
zoveel mogelijk” bij de voorschriften in de Faillissementswet moet worden aangesloten. [29] Deze formule is – in de context van de overeenkomstige toepassing van de Faillissementswet op ‘opneming van schulden’ (dus aspect (i)) – aldus toegelicht dat daarmee is beoogd rekening te houden met het verschil in karakter tussen de vereffening van een nalatenschap en die van een nagenoeg steeds deficitaire boedel van een failliet (zie hiervoor 2.8.3). Niet is toegelicht dat genoemd verschil – of enige andere grond – aan overeenkomstige toepassing van het processuele art. 187 lid 1 Fw Pro in de weg staat.
cassatieverzoekschrift, nr. 6) niet expliciet te bepalen. De terminologie ‘voor zover uit de wet niet anders voortvloeit’ in art. 261 Rv Pro is immers ruimer dan ‘voor zover de wet niet anders bepaalt.’ [30]
verzoekschrift, nr. 6), de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om voor diverse beschikkingen in procedures betreffende nalatenschappen (gewone) rechtsmiddelen uit te sluiten (art. 676a Rv) en een termijn te noemen (art. 676b Rv). Zie ook, terecht, rov. 3.6.1-3.6.2 van de bestreden beschikking van het hof.
verzoekschrift, nrs. 16-19) dat bij de afwikkeling van nalatenschappen minder noodzaak bestaat voor het hanteren van korte termijnen dan in het faillissementsrecht uit een oogpunt van de behoeften van het verkeer en de eisen van rechtszekerheid het geval is (waarbij wordt verwezen naar de voorzieningen tegen het vonnis van faillietverklaring).
verzoekschrift, nrs. 20-21), kan tegemoet worden gekomen door in de uitspraak een op art. 187 lid 1 Fw Pro gebaseerde rechtsmiddelenclausule te vermelden.
verzoekschrift, nrs. 22-26).
verzoekschrift, nr. 33) dat de korte termijn van acht dagen niet in het stelsel van de civiele vereffening past, aangezien het verzet immers nog binnen een maand kan worden ingesteld (art. 4:218 lid 3 BW Pro).
ten eerste, zo begrijp ik mede in het licht van
verzoekschrift nr. 12, dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van een beschikking van de
rechtbanken niet van een beschikking van de kantonrechter.
verzoekschrift nr. 13) dat het hof heeft miskend dat art. 187 lid 1 Fw Pro niet van toepassing is op beschikkingen van kantonrechters. Daartoe wordt aangevoerd dat in die bepaling alleen beschikkingen van rechtbanken worden genoemd.
overeenkomstigetoepassing van art. 187 lid 1 Fw Pro op beschikkingen op het verzet meebrengt dat het daarin bepaalde ook geldt voor beschikkingen van de kantonrechter op het verzet als bedoeld in art. 4:218 lid 3 BW Pro.
ten derde(
verzoekschrift nrs. 14-15) nog dat, nu in dit geval geen rechter-commissaris is benoemd, er geen sprake is van “twee feitelijke instanties (in zekere zin)” en toepassing van art. 187 lid 1 Fw Pro daarom niet in lijn is met de parlementaire geschiedenis bij die bepaling zoals aangehaald in nrs. 9-10 van het verzoekschrift.
Men bedenke ook, dat hier reeds in zekeren zin twee instanties zijn. Immers de uitdeelingslijst behoeft de goedkeuring van den rechter-commissaris (art. 180) en daarna is nog verzet bij de rechtbank toegelaten” [33] ) diende ter rechtvaardiging van de uitsluiting, destijds, van
zowelhoger beroep
alsberoep in cassatie tegen een uitspraak op een faillissementsrechtelijk verzet. Daarin is verandering gekomen door de openstelling, in 1925, van het beroep in cassatie. [34] Ook afgezien daarvan acht ik (zie ook
verzoekschrift nr. 35, 2e volzin) het ontbreken van een rechter-commissaris (die toezicht houdt op de vereffening, zie art. 4:208 lid 2 BW Pro) geen beletsel voor overeenkomstige toepassing van art. 187 lid 1 Fw Pro op een beschikking op een verzet ex 4:218 lid 3 BW.