Conclusie
1.Feiten
Mondriaan) is een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Onderdeel van Mondriaan is de locatie Radix, die beschikt over vier klinisch forensisch psychiatrische afdelingen en een afdeling voor beschermd wonen voor volwassenen.
[verweerster]), geboren op [geboortedatum] 1967, is met ingang van 29 maart 1993 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Mondriaan. Laatstelijk was zij werkzaam als manager 3A (Unitmanager) tegen een salaris van € 4.169,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Geestelijke gezondheidszorg van toepassing. [verweerster] gaf leiding aan ca. 60 medewerkers in de locatie Radix.
dinsdag 17 januari a.s. om 17.00 uurvan u hebben vernomen ten aanzien van het overdragen van de administratie, gaan wij ervan uit dat u deze niet kunt overleggen. Wij zullen het onderzoek dan verder vorm geven zonder uw administratie hierbij te betrekken.
woensdag 1 maart 2017 om 12.00 uurtegemoet. (…)
2.Procesverloop
beschikking van 12 juni 2017 [10] heeft de kantonrechter binnen de rechtbank Limburg (hierna:
de kantonrechter) de verzoeken van [verweerster] afgewezen. Het tegenverzoek van Mondriaan is toegewezen: [verweerster] is veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 20.477 tot betaling van een bedrag van € 79.577,51 ten titel van schadevergoeding, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2017. [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten. [11] De kantonrechter heeft de beschikking inzake de tegenverzoeken niet ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [12]
het hof) en heeft geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van haar verzoeken in eerste aanleg, met inbegrip van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij akte, genomen bij gelegenheid van het op 25 oktober 2017 gehouden pleidooi, heeft [verweerster] haar primaire verzoek gewijzigd, in die zin dat zij niet langer verzoekt om het ontslag op staande voet te vernietigen, maar om herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht tot 14 maart 2017, met bevel om haar weer toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden en met veroordeling tot doorbetaling van loon. [13]
tussenbeschikking van 14 december 2017 [16] heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd, voor zover daarin het verzoek van [verweerster] om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, was afgewezen. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen een deskundige te benoemen die een neurologisch onderzoek zou moeten doen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
omtrent de vraag of de gezondheidstoestand van [verweerster] in de periode van 10 januari 2017 tot en met 14 maart 2017 met zich bracht dat zij niet in staat was om de vraag van Mondriaan naar de besteding van de verdwenen bedragen te beantwoorden”(rov. 2.25).
beschikking van 25 januari 2018 [17] heeft het hof het verzochte verlof, voor zover noodzakelijk, verleend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
het merendeel van de bedragen wel degelijk heeft afgedragen aan de [centrale] kas.” [18] Hier valt de erkenning in te lezen dat zij gelden uit de afdelingswinkels ontving, omdat er anders niets viel af te dragen. In de e-mail van haar advocaat van 10 maart 2017 staat:
“Zij heeft de gelden bij de centrale kas afgestort”. [19] In hoger beroep wordt namens [verweerster] gesteld, naar aanleiding van de overweging van de kantonrechter dat iedere maandag per afdeling een bedrag boven de € 50,00 aan haar werd overhandigd: “
kan zich dat niet meer herinneren”. [20] Dat laatste lijkt moeilijk te verenigen met [verweerster] ’s eerdere verklaring dat zij ontvangen gelden had afgestort. Ondanks de medische beperkingen waarmee [verweerster] zich geconfronteerd zag, hebben deze verklaringen harerzijds, zeker in combinatie met de op dit punt eensluidende verklaringen van de gehoorde medewerkers, bij Mondriaan het onderbouwd vermoeden kunnen doen postvatten dat [verweerster] wel de gelden van de medewerkers had ontvangen, maar heeft nagelaten die (althans de meeste daarvan) in de Centrale Kas te storten. Vandaar de noodzaak dat zij daarvoor een verklaring gaf.
redelijkerwijzeniet langer van de werkgever gevergd worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren? [24] Over de band van het goed werkgeverschap, waarin de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 6:2 en Pro 6:248 BW voor het arbeidsrecht uitdrukking vinden, [25] komt bij die toets betekenis toe aan verschillende algemene rechtsbeginselen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel. [26] De verplichting zorgvuldig relevante informatie in te winnen alvorens tot besluitvorming te komen, is van belang als afzonderlijk gezichtspunt in de weging of sprake is van een dringende reden. [27] Dat betekent evenwel niet zonder meer dat het enkele feit dat een werkgever daarmee niet in lijn heeft gehandeld, meebrengt dat zich geen dringende reden voordoet. [28] Het betreft slechts één van de in aanmerking te nemen gezichtspunten, naast de overige omstandigheden van het geval. [29] De gevolgen van onzorgvuldigheid liggen aldus primair in de bewijsrechtelijke sfeer: [30] de werkgever zal bij betwisting moeten bewijzen dat er een dringende reden is en dat aan de vereisten voor een beroep daarop is voldaan. [31] Bij gebrek aan zorgvuldig onderzoek loopt de werkgever het risico dat het bewijs van de dringende reden, hoewel vóór het ontslag naar zijn inschatting beschikbaar, na dat ontslag niet goed valt te leveren. [32] Kan de werkgever het bewijs wél leveren, dan is het ontslag geldig ook al bestond er ten tijde van het ontslag enkel een gemotiveerd vermoeden. [33] De werkgever mag zich dan baseren op bewijsmiddelen waarover hij op het moment van het ontslag nog niet de beschikking kon hebben. [34]
niet op zichzelfde slotsom rechtvaardigt dat er geen dringende reden was.
nietis aan te merken als een dringende reden. [36] Om die reden stelt Mondriaan terecht dat, àls een deskundigenonderzoek moet worden gelast, het voor de hand had gelegen dat ook te gelasten ter beoordeling van de vraag of de opgegeven dringende reden op 14 maart 2017 aanwezig was, [37] en dus niet slechts voor de beslissing omtrent (het toekennen van) een billijke vergoeding en/of (het afzien van) een transitievergoeding.
subonderdeel b. Daarin wordt een klacht gericht tegen de beslissing in rov. 2.24 dat aan [verweerster] de vergoeding wegens onregelmatig ontslag toekomt en de beslissing in rov. 2.29 dat aan Mondriaan niet de gefixeerde schadevergoeding van art. 7:677 lid 2 BW Pro toekomt. Beide beslissingen bouwen voort op de met het vorige subonderdeel als rechtens onjuist bestreden oordeel en kunnen bij gegrondbevinding daarvan niet in stand blijven.