Conclusie
blogpost, die door een onbekend gebleven blogger is geplaatst op een website die door middel van “BLOGGER”, een door Google Inc. aangeboden dienst, op het internet is aangesloten. Is Google Inc. verantwoordelijk voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens van eiser?
1.Feiten en procesverloop
online weblog-
service‘BLOGGER’ aan. Gebruikers hiervan kunnen hierop ‘
content’plaatsen.
weblog-
serviceBLOGGER – over misdaad in Nederland, met een accent op levens- en geweldsdelicten. De schrijvers zijn anoniem. Op deze misdaad-weblog is een artikel geplaatst, waarvan de inhoud in het bestreden arrest onder 2.10 is weergegeven. Dit artikel had betrekking op de in rubriek 1.1.1 en 1.1.2 hiervoor vermelde feiten; later is een
updatetoegevoegd.
update,met de portretfoto, van haar domein te verwijderen en verwijderd te houden. Meer subsidiair vorderde eiser de verwijdering van de portretfoto en van de (volledige) Amerikaanse naam van eiser. Uiterst subsidiair vorderde eiser dat Google hem de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de desbetreffende blogger zal verstrekken. Daarnaast vorderde eiser een voorschot op de door hem geëiste schadevergoeding.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
mere conduit’, zie art. 12); dienstverleners die automatisch en tussentijds de doorgegeven informatie slechts tijdelijk opslaan, enkel om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst en op hun verzoek doeltreffender te maken (‘
caching’; zie art. 13); dienstverleners die zich bezig houden met het opslaan van de door een afnemer van deze dienst verstrekte informatie (‘
hosting’;zie art. 14 van Pro de richtlijn). Het begrip ‘
hosting’wordt in de vakliteratuur omschreven als: ‘het voor een ander opslaan en via internet beschikbaar maken van informatie’ [5] . In dit verband is wel eens een vergelijking gemaakt met een openbaar prikbord in een
offlineomgeving: een platform waarop anderen informatie beschikbaar kunnen stellen. [6]
mere conduit’-diensten. Lid 3 heeft betrekking op tussenpersonen die ‘
caching’-diensten verlenen. Lid 4 gaat over de
hosting-provider. Tussen partijen is in geschil of Google Inc. ten aanzien van zijn
weblog-serviceBLOGGER wel of niet kan worden aangemerkt als een ‘
hosting’-
providerin de zin van het vierde lid van art. 6:196c BW (in verbinding met art. 14 van Pro richtlijn 2000/31/EG). Het vierde lid van art. 6:196c BW luidt als volgt:
hosting providerop de hoogte stellen van het feit dat door die belanghebbende onrechtmatig geachte informatie opgeslagen en toegankelijk is via de door deze
provideraangeboden dienst. Een dergelijke kennisgeving kan worden gecombineerd met een verzoek aan de
hosting providerom de onrechtmatige informatie te verwijderen althans ontoegankelijk te maken: de zogenoemde ‘
notice and take down’-procedure.
provideromtrent het onrechtmatige karakter van de publicatie is sprake wanneer in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van de kennisgeving, of wanneer de desbetreffende informatie zelf ‘onmiskenbaar onrechtmatig’ is. De normatieve component hiervan (d.w.z. of deze wetenschap bij de
provideraanwezig
behoortte zijn) is afhankelijk van de omstandigheden van het geval [7] .
providergeen kennis heeft van, noch controle heeft over de gegevens die hij opslaat [8] . Een
user-generated platform, waarmee de dienstverlener geen andere dan technische bemoeienis heeft, valt in beginsel in deze categorie. Niet iedere betrokkenheid in het kader van de aangeboden dienst ontneemt de dienstverlener de mogelijkheid van een beroep op deze aansprakelijkheidsbeperking [9] .Wanneer de dienstverlener actief tussenkomt, bijvoorbeeld door de op de website te plaatsen informatie vooraf te selecteren of door gebruikers bij te staan bij het opstellen van de informatie en hierdoor kennis heeft van hetgeen vervolgens op het door hem in stand gehouden platform wordt geplaatst, is er reden om hem een beroep op deze aansprakelijkheidsbeperking te ontzeggen [10] .
providergeen beroep toekomt op de aansprakelijkheidsbeperking wanneer hij de doorgegeven informatie wijzigt of anderszins bij de inhoud betrokken is. Dit criterium kan leiden tot grensafbakeningsproblemen. In de zaak SABAM/Netlog stond vast dat de exploitant van een sociaal netwerk-site die de door gebruikers van die site verstrekte profielinformatie opslaat op zijn servers, een
hosting-
provideris in de zin van art. 14 van Pro richtlijn 2000/31/EG [11] . In de zaak Google/Louis Vutton besliste het HvJ EU dat de aansprakelijkheidsbeperking in art. 14 van Pro richtlijn 2000/31/EG ook geldt voor een zoekmachine-advertentiedienst, mits de dienstverlener
providertot afgifte van NAW-gegevens van de auteur, zijn in eerste aanleg wel ter sprake geweest, maar worden in het cassatiemiddel niet aan de orde gesteld. Zij blijven in deze conclusie onbesproken [13] .
Art. 29 Working Pro Party [15] heeft deze begrippen toegelicht aan de hand van praktijkvoorbeelden. [16] Zij noemt als voorbeeld 12: aanbieders van sociale netwerken die
onlinecommunicatieplatforms aanbieden, waarop gebruikers allerlei informatie kunnen publiceren en met andere gebruikers kunnen uitwisselen. Deze aanbieders zijn voor de verwerking van de gegevens verantwoordelijk omdat zij zowel de doelen van de verwerking, als de middelen voor de verwerking van dergelijke informatie vaststellen. De gebruikers van deze netwerken, die ook van derden persoonsgegevens uploaden, zouden moeten worden aangemerkt als voor de verwerking verantwoordelijken (voor zover hun activiteiten niet onder de vrijstelling voor huishoudelijk gebruik vallen). Met betrekking tot het plaatsen van persoonsgegevens op het internet heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat het gaat om een ‘verwerking’ van die gegevens in de zin van richtlijn 95/46/EG [17] .
hosting providerverantwoordelijk kan zijn voor het verwerken van persoonsgegevens, bijvoorbeeld in een video die door een derde op
YouTubeis
ge-upload? [22] Ook in andere publicaties wordt erop gewezen dat het begrip ‘verwerking’ van persoonsgegevens in richtlijn 95/46/EG niet alleen betrekking heeft op de activiteit van degene die
contentwaarin persoonsgegevens voorkomen openbaar maakt, maar ook op latere verwerkingen. Op dezelfde persoonsgegevens kunnen (volgtijdelijk) verwerkingen worden toegepast, waarvoor telkens een ander de ‘verantwoordelijke’ kan zijn. Zo is de exploitant van de zoekmachine in het algemeen niet verantwoordelijk voor eventueel onrechtmatige inhoud van het geschrift, maar wel verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens die in zijn eigen activiteit besloten ligt.
onlinenieuwsportaal in stand. Onder de artikelen op dit nieuwsportaal was een ruimte voorzien, waarin lezers hun reacties konden schrijven. Via een knop “
read comments” werd de lezer doorverwezen naar een afzonderlijk deel van de website waarop de lezersreacties te vinden waren. Hoe meer reacties, des te meer bezoekers van de website waardoor Delfi inkomsten kon genereren uit advertenties; in zoverre had Delfi zelf een economisch belang bij het commentaargedeelte van de website. In 2006 publiceerde Delfi een artikel over een door een veerdienst voorgenomen routewijziging. Verscheidene lezersreacties waren bedreigend of beledigend voor de eigenaar van de ferrymaatschappij. Deze stelde Delfi in gebreke, waarna Delfi deze lezersreacties verwijderde van de website. Delfi weigerde echter immateriële schade te vergoeden, waarna de eigenaar van de ferrymaatschappij een vordering tegen Delfi instelde. De rechter in Estland veroordeelde Delfi tot betaling van een schadevergoeding. Delfi legde de kwestie voor aan het EHRM als een schending van de vrijheid van meningsuiting, maar vergeefs. Het EHRM overwoog:
publishervervulde dan die van een
hoster-
provider, omdat haar redactionele artikelen de commentaren uitlokten die een bezoek aan de website stimuleren. Daaraan dankte Delfi (meer) inkomsten uit advertenties.
providerbeslissend is.
content-providers; Index was eigenaar van een
onlinenieuwsportaal. Zij bood lezers de mogelijkheid om commentaren te plaatsen bij de artikelen die
onlinewerden gepubliceerd. Er werd verduidelijkt dat de schrijvers aansprakelijk zijn voor de reacties die zij
onlineplaatsen en dat het was niet toegestaan (persoonlijkheids)rechten van anderen te schenden. Voor beide websites was voorzien in een systeem van
notice-and-take-down. Op de website van Index werden reacties gedeeltelijk gemodereerd en, indien noodzakelijk, verwijderd. In 2010 plaatsten zowel MTE als Index een tekst
online,waarin misleidende vastgoed-praktijken van een derde werden besproken. Dit gaf aanleiding tot beledigende reacties op beide sites. De betrokken derde stelde MTE en Index aansprakelijk. De hoogste rechter in Hongarije was van oordeel dat MTE en Index niet konden worden aangemerkt als tussenpersoon in de zin van de Hongaarse wet ter implementatie van richtlijn 2000/31/EG en dat hen geen beroep toekwam op de aansprakelijkheidsbeperking. MTE en Index legden de zaak voor aan het EHRM als een schending van de vrijheid van meningsuiting.
notice-and-take-down-systeem, mits voorzien van een effectieve procedure die een snelle reactie toelaat, in veel gevallen kan dienen als een geschikt middel om de belangen van alle betrokkenen op een evenwichtige manier te respecteren:
nietkan worden aangemerkt als de voor de verwerking ‘verantwoordelijke’ in de zin van de Wbp, dat oordeel rechtens onjuist is om de in onderdeel I genoemde reden, dan wel onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering. Hetzelfde geldt, indien het hof van oordeel is dat aan Google Inc. ten aanzien van haar dienst BLOGGER een beroep toekomt op de aansprakelijkheidsbeperking in art. 6:196c lid 4 BW. Eiser benadrukt dat de
serviceBLOGGER gekoppeld is aan de zoekmachine van Google: volgens eiser is daarom duidelijk dat Google Inc. economisch belang heeft bij BLOGGER en niet voldoet aan alle voorwaarden om voor deze aansprakelijkheidsbeperking in aanmerking te komen.
in hoger beroepwel of niet een grief van die strekking kan worden gelezen, is voorwerp van debat in cassatie [27] . Volgens Google Inc. gaat het om een ontoelaatbaar nieuwe stelling in cassatie. Eiser verwijst in zijn cassatierepliek (blz. 1) in dit verband naar de appeldagvaarding onder 2.4 en 2.5 en 8.3.
the Google Team (Removals)”. Deze passages in de inleiding maakten bovendien geen deel uit van de grieven in de appeldagvaarding.
blogpostsop het − volgens eiser aan Google in eigendom toebehorende – internetdomein/webportaal “Pasteurella.blogspot.nl” zijn aan te merken als
user-generated contentvan gebruikers van Google als dienstenaanbieder en gelijktijdig zoekmachine-exploitant. Eiser maakte hieruit op “dat deze
contentals zodanig bijdraagt aan en dienstig is aan de economische belangen van Google, nu die content door Google op een commerciële wijze wordt verwerkt in haar zoekmachine(s) waarvoor Google in de zin van de artikelen 36 en/of 40 Wbp als verantwoordelijke kan worden aangemerkt. Van een ‘gratis blogdienst’ is hier geen sprake; alle diensten van Google worden primair door de (onmiskenbare) economische belangen van Google (aan)gedreven”. Ook in deze passage lees ik niet de stelling dat Google Inc. heeft gehandeld in strijd met enig voorschrift in de Wet bescherming persoonsgegevens. In het bijzonder lees ik daar niet de stelling dat Google Inc. de artikelen 17 – 23 Wet bescherming persoonsgegevens (verboden verwerking van ‘bijzondere’ persoonsgegevens) heeft overtreden.
blogspotaansprakelijk kan worden gehouden voor eventueel onrechtmatige inhoud van de
blogposts, en kan worden verplicht om deze te rectificeren of op eerste aanmaning te verwijderen. Eiser voerde aan dat in het vonnis in eerste aanleg zijn privacybelangen zijn miskend. In de appeldagvaarding onder 4.14 benadrukte eiser “dat de vaststelling en weging van de in het concrete geval door voornoemde grondrechten beschermde belangen van de betrokkene ex art. 36 en Pro/of 40 Wbp integraal onderdeel uitmaken van de op basis van het algemene onrechtmatige daadsartikel, het leerstuk van de onrechtmatige perspublicatie en/of artikel 6:196c lid 4 BW uit te voeren toets.” Noch in de algemene grief, noch in de detailgrieven 1 t/m 6, lees ik dat eiser aan Google Inc. het verwijt heeft gemaakt dat zij ‘bijzondere’ persoonsgegevens als bedoeld in (art. 16 van Pro) de Wet bescherming persoonsgegevens heeft verwerkt in strijd met die wet. Aan het slot van de appeldagvaarding, onder 14.2, heeft eiser zijn spoedeisend belang toegelicht met de stelling dat zijn bijzondere persoonsgegevens en het fotoportret door een anonieme blogger zijn – en dagelijks worden – prijsgegeven en verder verspreid via de zoekmachine(s) van Google.
naar de inhoudonrechtmatige publicatie, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser uitdrukkelijk meegewogen; zie rov. 4.3 e.v., in cassatie niet bestreden. Het hof heeft blijkbaar – en, gezien het voorgaande, niet onbegrijpelijk − geaarzeld over de vraag, welke uitleg het hof aan de appeldagvaarding zou moeten geven voor zover daarin de Wet bescherming persoonsgegevens was genoemd. In rov. 4.15 heeft het hof een beroep van eiser op art. 36 Wbp Pro (recht op verbetering of verwijdering van gegevens) respectievelijk op art. 40 Wbp Pro (verzet tegen een bepaalde gegevensverwerking) verworpen. Vervolgens overwoog het hof:
hosting providerals bedoeld in art. 6:196c lid 4 BW. Volgens de klacht had het hof moeten uitgaan van de juistheid van eisers standpunt dat Google Inc. géén
hosting providerin de zin van art. 6:196c lid 4 BW is. Een andersluidend oordeel zou volgens eiser onbegrijpelijk zijn omdat de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking in art. 6:196c lid 4 BW slechts van toepassing is indien het gaat om een dienst die ‘louter technisch, automatisch en passief’ van karakter is. Volgens eiser verleent Google Inc. diensten die méér dan dat omvatten.
hosting providerin de zin van art. 6:196c lid 4 BW (in verbinding met art. 14 richtlijn Pro 2000/31/EG) maar veeleer te vergelijken is met een ‘
commercially-run Internet news portal [28] ,buiten beschouwing kan blijven. Hieruit volgt dat het hof de juistheid van deze stelling in het midden laat. Met andere woorden: zelfs zou Google géén beroep kunnen doen op de aansprakelijkheidsbeperking in art. 6:196c lid 4 BW, dan nog acht het hof de vordering niet toewijsbaar.
blogpostniet onrechtmatig is jegens eiser – ingegaan op de vraag of niettemin van Google Inc. kan worden verlangd dat zij deze blogpost verwijdert, althans aan eiser de NAW-gegevens van de auteur van dat blogartikel verstrekt. Het hof maakt melding van het in middelonderdeel III bedoelde standpunt van eiser, maar acht niet van belang of Google Inc. is aan te merken als een
hosting providerin de zin van art. 6:196c lid 4 BW dan wel als een ‘
commercially-run Internet news portal’. Volgens het hof kan in geen van beide gevallen Google Inc. worden verplicht om een artikel te verwijderen dat niet onrechtmatig is, noch om gegevens te verstrekken over de auteur. De slotsom is dat onderdeel III feitelijke grondslag mist.
rechtmatigepublicatie te verwijderen komt, zoals gezegd, aan de orde in rov. 4.26. Onderdeel IV treft om deze reden geen doel.
hosting provider, die publicatie op (een website met een platformfunctie op) het internet mogelijk maakt en zich op de media-exceptie beroept, dan zou het verbod nog dieper ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting/informatiegaring. Een
hosting providerverleent niet, zoals de exploitant van een zoekmachine, diensten aan het publiek om gepubliceerde
contentgemakkelijk te kunnen opzoeken, maar verleent diensten aan het publiek om publicatie van
contentop een website die op het internet is aangesloten überhaupt mogelijk te maken. Het ligt om die reden niet onmiddellijk voor de hand, het standpunt van eiser onverkort te volgen.
hosting providerwel of niet een beroep toekomt op de uitzondering voor journalistieke doeleinden. Zou de Hoge Raad aan dit middelonderdeel toekomen, dan zou – hoewel niet verplicht: het gaat in deze zaak slechts om een voorlopige voorziening in kort geding – de snelweg naar Luxemburg een geschikte route kunnen zijn. Daartegenover staat dat in eerste en tweede aanleg de vordering niet uitdrukkelijk was gegrond op de verwerking door Google Inc. van ‘bijzondere’ persoonsgegevens van eiser. Door het ontbreken van onderzoek naar de feiten staat in dit stadium van het geding niet vast welke activiteiten (verwerkingen) door Google Inc. precies worden verricht ten aanzien van ‘bijzondere’ (strafrechtelijke) persoonsgegevens van eiser. Het feitenoverzicht dat verplicht vooraf gaat aan iedere vraagstelling door een nationale rechter aan het HvJ EU zou daardoor incompleet zijn. Aan een inhoudelijke beslissing komt de Hoge Raad echter niet toe: zoals gezegd, is deze klacht voorwaardelijk voorgedragen en is niet aan de voorwaarde voldaan. Wellicht kan beter worden gewacht op een daartoe geschikte bodemprocedure [42] .