De zaak betreft een vordering van eiser tegen Google om zoekresultaten te verwijderen die zijn persoonsgegevens bevatten, in verband met een strafrechtelijke veroordeling. Eiser werd in eerste aanleg veroordeeld wegens poging tot uitlokking van huurmoord, en vorderde verwijdering van URL's die bij zoekopdrachten op zijn volledige naam naar berichten verwijzen waarin hij slechts met voornaam en initiaal wordt genoemd.
De voorzieningenrechter en het hof Amsterdam wezen de vorderingen af, waarbij het hof zich baseerde op het arrest Google/Costeja van het HvJEU. Het hof oordeelde dat het publiek belang bij toegang tot informatie over ernstige strafbare feiten en de rol van eiser in het openbare leven zwaarder woog dan het privacybelang van eiser. Het hof stelde dat het publiek de zoekresultaten niet zonder meer aan eiser kan koppelen, omdat de berichten slechts een gedeeltelijke naam bevatten.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of het publiek belang bij het tonen van deze zoekresultaten bestaat en of een juiste belangenafweging is gemaakt. Ook heeft het hof niet vastgesteld of eiser een rol in het openbare leven speelt en hoe het belang van eiser zich verhoudt tot dat van het publiek. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling. Het incidentele beroep van Google wordt verworpen.
De uitspraak bevestigt dat de grondrechten op privacy en bescherming van persoonsgegevens in beginsel zwaarder wegen dan het economisch belang van zoekmachine-exploitanten en het publiek belang, tenzij bijzondere redenen dit rechtvaardigen. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde afweging van belangen bij verzoeken tot verwijdering van zoekresultaten.