Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
margin of appreciationvan de nationale wetgever, die als uitgangspunt
wideis bij sociaal-economisch beleid, in casu niet zo ruim zou zijn dat elke keuze die niet
devoid of reasonable foundationis, aanvaardbaar zou zijn.
Arbeidskostenforfait- en
Bewindslieden-personenauto-arresten acht ik het daarom meer aangewezen dat de rechter bevestigt dat geen rechtvaardiging voor het onderscheid bestaat en de wetgever in de gelegenheid stelt een einde te maken aan het privilege (en daarbij nieuwe ongelijkheden te vermijden).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
USZ2017/46) meent dat de CRvB te snel en te ver gaat:
Gst.2017/71) vragen zich af of de CRvB niet te eenvoudig de vraag passeert of wel sprake is van gelijke gevallen:
3.Het geding in cassatie
NJB2009, 1813. Zij stelt voorts dat de ruime beoordelingsvrijheid die het EHRM aan de nationale sociale zekerheidswetgever laat, gebaseerd is op de gedachte dat het EHRM minder goed in staat is dan de nationale rechter om afwegingen en keuzes van de sociale zekerheidswetgever van de verdragstaten te beoordelen. Die gedachte is volgens de belanghebbende minder relevant bij de CRvB en de Hoge Raad; zij wijst op EHRM 12 december 2006 (
Burden and Burden v UK),
EHRC2007/18, en EHRM 7 december 1976 (
Handyside v UK),
NJ1978, 236. De nationale rechter is in beginsel beter geëquipeerd dan het EHRM om bij sociale of economische overwegingen te beoordelen wat in het algemeen belang is en kan de verenigbaarheid van nationale sociale zekerheidswetgeving met het discriminatieverbod goed beoordelen, waarbij aan de wetgever minder beoordelingsvrijheid kan worden gegeven dan het EHRM zou doen. Het EHRM laat ruimte aan de nationale rechter om een eigen strengere toets aan te leggen dan het EHRM.
4.Wet- en regelgeving
Een ieder verbindende internationaalrechtelijke discriminatieverboden
alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
gezin
5.Parlementaire geschiedenis van de Algemene bijstandswetten
Minister Melkert: Er is aangegeven dat aanvankelijk zelfs de gehele bloedverwantschap eruit was gehaald. In de vervolgdiscussie is de bloedverwantschap in de eerste graad er weer ingebracht, omdat daarbij – in beginsel althans – sprake is van een afhankelijke situatie. Bij bloedverwantschap in de tweede graad vervalt dat, want dan is de wijze waarop je het regelt, meer een kwestie van vrijwilligheid. Het gegeven dat je bloedverwanten van elkaar bent, in de tweede graad of in de derde graad, doet er dan niet meer toe. Wij menen bij bloedverwantschap in de eerste graad een onderscheidend criterium te kunnen leggen ten aanzien van de afhankelijkheidssituatie, hetgeen een zekere analogie met andere regelingen in de wet heeft. Maar overigens is dat niet het geval. Waarom zou je dat dan verder moeten regelen? Het door de heer Van Middelkoop genoemde punt heeft betrekking op een wens om dit soort begrippen in de sociale zekerheid zoveel mogelijk op een gelijke wijze te behandelen. Dat geldt dus ook voor de IOAW. Als je het hier doet, moet je het ook in de IOAW doen. Om die reden is voor een gelijkschakeling gekozen.”
6.Parlementaire geschiedenis van de Wet Werk en Bijstand
Rutte: (…).Mevrouw Noorman is teruggekomen op de discussie over de tweedegraads bloedverwanten, die uitvoerig bij de begrotingsbehandeling is gevoerd. Ik wil graag een herhaling van zetten voorkomen. Ik zie geen aanleiding om voor tweedegraads bloedverwanten een uitzondering te maken. Een eventuele wijziging zou overigens 5 mln euro kosten.
Noorman-den Uyl(PvdA): Wij hebben het hier niet uitgebreid bij de begrotingsbehandeling over gehad. Er is een brief over gestuurd. Naar aanleiding daarvan zou er een keer op teruggekomen worden. Nu is daarvoor het geschikte moment, want het gaat over deze wet. In de brief staat dat in allerlei andere regelingen wel het recht op de uitkering blijft bestaan, maar geen verhoogd recht. Ik pleit overigens ook niet voor een verhoogd recht.
Rutte: (…).Mevrouw Noorman had een vraag over hulpbehoevende broers en zussen. Deze zijn in de Awb [31] /Wwb en in alle andere sociale zekerheidswetten gelijkgesteld aan andere ongehuwd samenwonenden. Zij hebben op dezelfde wijze als gehuwden recht op een uitkering. Mevrouw Noorman stelt voor dat een zorgbehoevende die samenwoont met een broer of zus als alleenstaande recht op bijstand krijgt. Dat voorstel leidt naar mijn overtuiging tot een ongelijke behandeling van alle andere ongehuwd samenwonenden in de Wwb, waarvan er één zorgbehoeftig is. Bovendien zal de vraag of er daadwerkelijk sprake is van zorgbehoeftigheid leiden tot arbitraire discussies tussen betrokkenen en de gemeente. (…).
Noorman-den Uyl(PvdA): Volgens de berekening van de staatssecretaris doet het bovenvermelde zich maximaal in 4000 gevallen voor. Dat is niet veel, op een populatie van 400.000. Toch is het een klemmend maatschappelijk probleem. Door de in de wet voorgestelde formulering worden mensen uitgesloten van een inkomen, terwijl dat in geen enkele andere regeling wordt gedaan. Dat is het verschil. Daarom vraag ik: waarom wordt er niet desnoods met een hardheidsclausule gewerkt? De introductie van de term tweedegraads bloedverwantschap mag een beeld van te grote breedheid geven, maar de staatssecretaris kan toch wel oog hebben voor de problematiek van deze relatief kleine groep mensen die geen inkomen en geen verzekering heeft en B en W toestaan, deze mensen op grond van kennelijke hardheid desnoods op individuele basis toch te helpen? Zoals het nu in de wet verboden is, bestaat daartoe geen enkele mogelijkheid. Dat is juist het probleem. Ik zoek niet een nieuwe doelgroep.
Rutte: Ik begrijp het probleem. Ik worstel ermee dat er sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van andere ongehuwd samenwonenden waarvan er een zorgbehoeftig is als het op deze wijze wordt geregeld. In individuele gevallen kan zich zoiets voordoen. Het lastige in de systematiek van deze discussie is dat wij een lijn moeten trekken. Als er nu door middel van hardheidsclausules allerlei openingen worden geboden, bestaat de kans dat er ook discussie ontstaat tussen de gemeente en cliënten in allerlei andere gevallen.”
7.Parlementaire geschiedenis van enige andere sociale-zekerheidswetten
of tweedegraad bestaat.” (
curs. PJW)
Linschoten:
Kamerstukken II, 28870).
8.Rechtspraak
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
Stec c.s. v UK [51] betrof een verschil in inkomensbescherming tussen vrouwen en mannen. De Britse
reduced earning allowance(loongerelateerde inkomensbescherming bij beroepsziekte of bedrijfsongeval) werd vanaf 1986 beëindigd zodra recht op ouderdomspensioen ontstond. Voor mannen was dat vanaf 65 jaar; bij vrouwen vanaf 60 jaar. Het EHRM overwoog over de reikwijdte van art. 14 EVRM Pro:
….).
Van Raalte, cited above, § 39, and
Schuler-Zgraggen v. Switzerland, judgment of 24 June 1993, Series A no. 263, § 67). On the other hand, a wide margin is usually allowed to the State under the Convention when it comes to general measures of economic or social strategy (see, for example,
James and Others v. the United Kingdom, judgment of 21 February 1986, Series A no. 98, § 46;
National and Provincial Building Society and Others v. the United Kingdom, judgment of 23 October 1997, Reports 1997-VII, § 80). Because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is in the public interest on social or economic grounds, and the Court will generally respect the legislature's policy choice unless it is ‘manifestly without reasonable foundation’ (ibid.).”
Andrejeva v Latvia [52] ging over de berekening van een Lets pensioen. De 17 jaren die Andrejeva had gewerkt voor Oekraïense en Russische ondernemingen op Lets grondgebied werden niet meegeteld uitsluitend omdat Andrejeva niet de Letse nationaliteit bezat. Het EHRM overwoog dat het om onderscheid op basis van een verdacht criterium ging, dat overtuigende motivering behoeft, en veroordeelde Letland wegens het ontbreken van een dergelijke overtuigende motivering:
Gaygusuz, (…), par. 42, and
Koua Poirrez, (…), par. 46).
Luczak v. Poland, no. 77782/01, par.par. 49 and 55, ECHR 2007-...). Thirdly, the Court observes a notable difference between the applicant and Mr Gaygusuz and Mr Koua Poirrez in that she is not currently a national of any State. She has the status of a ‘permanently resident non-citizen’ of Latvia, the only State with which she has any stable legal ties and thus the only State which, objectively, can assume responsibility for her in terms of social security.
BNB1997/160 (
Bewindslieden-personenauto-arrest) [53] betrof onder meer de vraag of niet-begunstigden zich konden beroepen op beleid ten aanzien van een zeer beperkte groep dat berustte op de onjuiste rechtsopvatting van de regering dat het niet begunstigend maar een correcte interpretatie van de wet zou zijn. Hoewel aan alle eisen voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel voldaan was, konden anderen zich toch niet op dat beleid beroepen, tenzij de regering het zou voortzetten na door u op de onjuistheid ervan gewezen te zijn. U overwoog:
BNB1999/271 (
Arbeidskostenforfait-arrest) [54] betrof de rechtsvormende mogelijkheden van de rechter na diens bevinding dat een forfait dat bewust de werkelijkheid niet benadert, het discriminatieverbod schendt. De belanghebbende in die zaak wilde met een beroep op het discriminatieverbod haar aftrekbare kosten ad f 2.362 verhoogd zien met f 1.050 omdat de wetgever het maximale arbeidskostenforfait met dat bedrag had verhoogd (van f 1.036 naar f 2.086) terwijl in werkelijkheid voor 90 à 95% van de werkenden de arbeidskosten beneden f 1.036 bleven. De verhoging diende een ander doel dan kostenaftrek, nl. het stimuleren van deelname aan betaald werk. Het Hof had de belanghebbende in het gelijk gesteld. Ook u achtte de regeling in strijd met art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro, maar meende, anders dan het Hof, dat in eerste instantie niet de rechter, maar de wetgever de discriminatie moest wegnemen, waarbij u de wetgever peremptoir stelde:
fait accompliplaatst, en het contrasteert met het rechterlijke (wél-)doorbijten bij toetsing aan Unierecht. Uzman stelt daarom een ‘constitutionele lus’ bij tussenuitspraak voor (naar analogie van de bestuurlijke lus ex art. 8:51a-c, 8:80a en 8:80b Algemene wet bestuursrecht), al dan niet met interventiemogelijkheid voor een vertegenwoordiger van de wetgever: [57]
BNB2009/285 [58] betrof het – op grond van bijstandfraudebestrijdingsoverwegingen ingevoerde – onweerlegbare rechtsvermoeden in art. 3(4)(b) WWB dat ex-partners die op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben en een gemeenschappelijk kind hebben (ongeacht diens leeftijd), geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren. Voor ex-partners zonder kinderen gold dat vermoeden niet. De CRvB achtte dat onderscheid in strijd met het discriminatieverbod ex art. 26 IVBPR Pro als alle kinderen ouder dan 18 waren. U niet:
tot1 januari 1996 in art. 5a ABW gemaakte onderscheid tussen ongehuwde personen met een gezamenlijke huishouding en eerste- of tweedegraads bloedverwanten met een gezamenlijke huishouding een voldoende rechtvaardiging bestaat. In die zaak kwam ook de
vanaf1 januari 1996 (tot 1 januari 2004) ruimere gehuwdengelijkstelling (alleen een uitzondering voor eerstegraads bloedverwanten) ter sprake. Het ging om een belanghebbende die een uitkering ontving op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers naar de norm van een alleenstaande woningdeler. Na het overlijden van zijn moeder in 1994 bleef hij met zijn broer in de woning wonen waar zij voorheen met hun moeder woonden. Zijn uitkering werd ingetrokken omdat hij met zijn broer een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 Abw Pro voerde. De belanghebbende achtte het ontbreken van een uitzondering op de gehuwdenvrijstelling voor samenwonende tweedegraads bloedverwanten, die wél bestond voor samenwonende eerstegraads bloedverwanten, in strijd was met het discriminatieverbod. De CRvB oordeelde dat de rechtvaardiging voor de uitzondering voor eerstegraads bloedverwanten (wederzijdse afhankelijkheid, die ook blijkt uit de krachtens het BW bestaande wederzijdse verplichtingen van ouders en kinderen tot het verstrekken van levensonderhoud) geen wezenlijk kenmerk is van relaties tussen bloedverwanten in de tweede graad, en dat het onderscheid berustte op redelijke en objectieve gronden.
9.Beoordeling
devoid of reasonable foundationof
manifestly without reasonable foundation; zie bijvoorbeeld de zaak
Stec, paragraaf 52, in 8.1 hierboven).
wide margin of appreciationzou gelden, kan het onderscheid dus niet worden gerechtvaardigd, nu het
devoid of reasonable foundationis: de indieners van het amendement hebben niets gesteld dat als zodanig kan dienen; het maatschappelijke probleem van een zorgbehoefte is bij alle gemene huishoudens even klemmend.
Miljoen. [76] Weliswaar gaat het in casu om toetsing aan het EVRM en niet om toetsing aan Unierecht en wordt door Luxemburg effectievere rechtsbescherming geboden dan door Straatsburg, [77] maar:
Arbeidskostenforfait- en
Bewindslieden-personenauto-arresten (zie 8.3 en 8.4) acht ik het meer aangewezen dat u bevestigt dat geen rechtvaardiging voor het onderscheid bestaat en de wetgever in de gelegenheid stelt het privilege te beëindigen zonder daarbij nieuwe ongelijkheden te creëren.
prospective overrulingvoorbij is. Ook voor die benadering valt zeker wat te zeggen, maar (i) ik meen dat uw recente rechtspraak grote terughoudendheid laat zien bij toetsing van formele wetgeving aan rechtstreeks werkend volkenrecht (niet-EU-recht) en bij het bieden van rechtsherstel en (ii) de rechter moet niet door wegneming van de ene ongelijkheid een andere creëren, zoals wellicht bij de kostendelersnorm en wie weet waar nog meer.