Conclusie
1.Feiten
Overige verklaringen van koper
behoudens, wat het kadastrale nummer [001] betreft, het vermelde in artikel 9.
Overige garanties van verkoper en de huidige gebruiker
behoudens, wat het kadastrale nummer [001] betreft, het vermelde in het onteigeningsvonnis de dato 16 maart 1999.”
2.Procesverloop
“Het besef dat we het perceel kwijt zouden raken kwam tijdens de onteigeningsprocedure. Het klopt dat we hebben gewacht met het ondernemen van actie tegen de notaris, maar we wilden eerst kijken of de andere percelen rendement zouden opleveren.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1strekt ten betoge dat het hof de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer van [verweerster] ten onrechte heeft aangevuld.
Onderdeel 2klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting van het ontstaansmoment van de schade en de opeisbaarheid van de schadevordering blijk heeft gegeven.
Onderdeel 3klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bekendheid van Beagle mede afhankelijk te stellen van hetgeen deze aan de hand van eigen onderzoek had kunnen vaststellen [7] .
“de verplichtingen van eerdere schakels in deze transactie”. Het genoteerde in het faxbericht betekent dat Beagle na voornoemde datum en tijdstip, doordat zij een bedrag van € 555.201,-- aan de notaris heeft betaald, schade heeft geleden die gelijk te stellen is aan voornoemd bedrag, voor welke schade de notaris, nu deze heeft nagelaten haar te informeren, aansprakelijk is te houden.
“op grond van hetgeen Beagle aan haar schadevordering ten grondslag heeft gelegd”(zie de inleiding op onderdeel 1, tweede volzin) en daarbij acht heeft geslagen op
“de grondslag die Beagle aan haar schadevordering ten gronde aanvoerde en als de door haar geleden schade aanmerkte”(zie subonderdeel 1.2, eerste volzin)
.
“gelegen te achten in het verlies c.q. kwijtraken van de eigendom van perceel [001] c.q. het niet kunnen verwezenlijken van haar plan tot (her)ontwikkeling van dat perceel”. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, dient die klacht mijns inziens niet aldus te worden gelezen dat het hof de stellingen van Beagle onjuist heeft uitgelegd, maar dat het hof bij de beoordeling van het beroep van [verweerster] op verjaring, ook wat betreft de aard van de door Beagle gestelde schade, überhaupt niet van de stellingen van Beagle, maar slechts van de stellingen van [verweerster] had moeten uitgaan.
“(…) en aldus de schade van Beagle niet - in navolging van c.q. in overeenstemming met de stellingen van [verweerster] c.s. (ONDERDEEL I) - gelegen te achten in het verlies c.q. kwijtraken van de eigendom van perceel [001] c.q. het niet kunnen verwezenlijken van haar plan tot (her)ontwikkeling van dat perceel (…)”).
Onder 1.1stelt Beagle - kort gezegd - dat [verweerster] aan haar verjaringsverweer slechts ten grondslag heeft gelegd dat de schade van Beagle het
kwijtrakenvan het perceel is en is ontstaan door de onteigening, en niet dat die schade bestaat uit de in 2004 betaalde te hoge koopprijs, die Beagle bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben betaald [9] . Beagle klaagt dat het hof in rov. 3.6 en 3.8 een onbegrijpelijke, want te ruime uitleg aan de stellingen van [verweerster] heeft gegeven - naar ik begrijp - voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat zij in het kader van haar verjaringsverweer heeft gesteld dat de schade bestaat uit de in 2004 betaalde (te hoge) koopprijs, welke schade in dat jaar is ontstaan.
Onder 1.2klaagt Beagle vervolgens dat het hof in de rov. 3.6 en 3.8, in strijd met art. 24 Rv Pro, de feitelijke grondslag van het bevrijdende verjaringsverweer heeft aangevuld door in zijn beoordeling mede de door Beagle voor haar schadevordering aangevoerde grondslag te betrekken. Uit de processtukken blijkt niet dat [verweerster] in het kader van haar verjaringsverweer een beroep heeft gedaan op de door Beagle ter onderbouwing van haar vordering aangevoerde feiten en omstandigheden.
Onder 1.3stelt Beagle zich op het standpunt dat het hof door te oordelen als het heeft gedaan het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.
proceduretot onteigening:
“Toen Beagle bekend werd met de (lopende procedure ten behoeve van de) onteigening van het Perceel is zij ook bekend geworden met het feit dat zij als gevolg daarvan schade leed en zou lijden”), uit het gestelde in die memorie onder 5.18 (waarin [verweerster] slechts het standpunt van
Beaglemet betrekking tot de opeisbaarheid van haar vordering weergeeft), uit het gestelde in die memorie onder 5.20 (waarin [verweerster] juist heeft betoogd dat de schade van Beagle reeds bestond op het moment dat Beagle met de procedure tot onteigening bekend werd:
“In deze zaak is Beagle bekend geworden met een schade die op dat moment reeds bestond namelijk door het feit dat zij een perceel geleverd hadden gekregen waarvoor het Vonnis had bepaald dat het onteigend zou worden. (…)”), uit het gestelde in de pleitaantekeningen van mr. Rammeloo van 22 februari 2015 onder 23 (waarin [verweerster] heeft betoogd dat vanaf het moment waarop Beagle bekend is geworden met de nog lopende onteigeningsprocedure - de vroege herfst van 2004, althans oktober 2006, althans juni 2008 -, Beagle wist dat zij het Perceel door onteigening kon kwijtraken, hetgeen de grondslag vormt voor haar verwijt aan [verweerster]) en uit het gestelde in die pleitaantekeningen onder 30 (waarin het moment waarop Beagle bekend werd met haar schade juist wordt gelijkgesteld aan het moment waarop Beagle bekend werd met de nog lopende onteigeningsprocedure:
“Beagle leed namelijk schade vanaf het moment dat zij bekend werd met de (mogelijke) onteigening van het Perceel. Het risico van onteigening van het Perceel stond (ook) voor Beagle toen vast.”).
nietaan haar verjaringsverweer ten grondslag zou hebben gelegd dat de schade waarvan Beagle vergoeding vordert, bestaat uit de in 2004 betaalde te hoge koopprijs, die Beagle bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben voldaan. Ook subonderdeel 1.2 kan reeds daarom niet slagen.
“de grondslag die Beagle aan haar schadevordering ten gronde aanvoerde en als de door haar geleden schade aanmerkte”, ziet het subonderdeel bovendien eraan voorbij dat het voor de vraag of een vordering op grond van art. 3:310 BW Pro door verloop van vijf jaren is verjaard, aankomt op bekendheid met de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en dat voor de aard van die schade uiteraard slechts bepalend is hetgeen de eisende partij daaromtrent heeft gesteld en aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. [verweerster] heeft zich op verjaring van de vordering van Beagle door ommekomst van de korte verjaringstermijn beroepen en heeft in dat verband onder meer gesteld dat Beagle reeds vanaf de vroege herfst van 2004, althans vanaf oktober 2006, althans vanaf juni 2008, met de door haar gestelde schade bekend was. Bij de beoordeling van dit beroep op verjaring had het hof slechts uit te gaan van het soort schade dat Beagle beweerde te hebben geleden. Die schade is door het hof aan de hand van de stellingen van Beagle (in cassatie onbestreden) aldus opgevat dat zij hieruit bestaat dat Beagle in 2004 voor perceel [001] een (te hoge) koopprijs heeft betaald, welke koopprijs zij bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben voldaan. Bij de beoordeling van het verjaringsverweer van [verweerster] was de aard van de door Beagle gestelde schade een gegeven, dat het hof in zijn beoordeling niet alleen mocht, maar ook moest betrekken.
subonderdeel 1.3verdedigt, evenmin buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, het recht van hoor en wederhoor heeft geschonden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen door bij de beoordeling of sprake was van de in art. 3:310 lid 1 BW Pro bedoelde bekendheid van Beagle met de schade waarop haar vordering betrekking had, voor de aard van die schade bepalend te achten hetgeen Beagle zelf aan haar schadevordering ten grondslag had gelegd.
Subonderdeel 2.2.bklaagt dat het hof dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat Beagle met het bestaan van de schade bekend is geworden op het moment dat zij hoorde dat er ten aanzien van het perceel nog een onteigeningsprocedure liep.
risicovan een onteigening het betrokken perceel voor ontwikkelaars minder interessant maken en aldus ook de waarde van dat perceel negatief beïnvloeden, ondanks de (geringe) kans dat dit risico zich uiteindelijk niet verwerkelijkt. De ontwikkelaar die een perceel koopt, terwijl hij onkundig is van een lopende onteigeningsprocedure en met de dreigende onteigening geen rekening heeft kunnen houden, lijdt (onmiddellijk) schade, in elk geval ten bedrage van de koopprijs, waarop de (werkelijke en lagere) waarde van het perceel in mindering dient te worden gebracht. Als achteraf blijkt dat de onteigening niet wordt geëffectueerd, doet dat op zichzelf aan de hiervoor bedoelde schade niet af, maar zou wel sprake kunnen zijn van een bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking te nemen voordeel (art. 6:100 BW Pro). Overigens ware te bedenken dat in het laatste geval de reeds ingetreden schade als gevolg van de vertraging van de ontwikkeling die door de dreiging van een onteigening is veroorzaakt, niet wordt goedgemaakt doordat de betrokken gemeente de onteigening uiteindelijk niet effectueert.
“dat zij in 2004 een (te hoge) koopprijs heeft betaald voor perceel [001] die zij bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben voldaan”)
“in 2004 ontstaan en niet pas op het moment dat de rechtbank Haarlem bij vonnis van 12 november 2008 de definitieve onteigening van perceel [001] uitsprak en evenmin op het moment dat de onteigening door de gemeente is geëffectueerd (12 januari 2009)”(rov. 3.6). Dat oordeel is, ook in het licht van hetgeen subonderdeel 2.3 aanvoert, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. De (te hoge) koopprijs die Beagle bij een juiste voorstelling van zaken niet bereid zou zijn geweest te betalen, is in 2004 voldaan. De daarin gelegen schade - die niet het gevolg is van de op dat moment nog onzekere onteigening, maar van de omstandigheid dat de notaris niet heeft gewezen op de omstandigheid dat er nog een onteigeningsprocedure liep - is op dat moment daadwerkelijk ontstaan. Dat, zoals subonderdeel 2.3 memoreert, Beagle heeft betoogd dat in 2004 nog slechts een vermoeden van het ontstaan (en bestaan) van schade bestond, doet aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel niet af, omdat dit oordeel niet de schade als gevolg van de onteigening betreft, maar de schade als gevolg van het feit dat Beagle, onkundig van de nog lopende onteigeningsprocedure en de dreiging van een onteigening, perceel [001] überhaupt (of althans voor een te hoge koopprijs) heeft gekocht. Bij die stand van zaken is, anders dan subonderdeel 2.3 betoogt, evenmin onbegrijpelijk dat het hof beslissend heeft geoordeeld dat Beagle al in de herfst van 2004 bekend is geworden met de onjuistheid van haar veronderstelling dat over perceel [001] geen onteigeningsprocedure over perceel [001] meer liep.
“dat Beagle in ieder geval op 2 oktober zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was en dat zij vanaf dat moment ook daadwerkelijk in staat was jegens [verweerster] een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen.”Uit rov. 3.9, in samenhang met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen, volgt dat naar het oordeel van het hof Beagle al eerder dan op 2 oktober 2006 zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was. Naar in cassatie niet met succes wordt bestreden, was Beagle reeds in de herfst van 2004 met de schade bekend. Voorts heeft het hof in rov. 3.8 heeft aangenomen dat de bekendheid van Beagle met de daarvoor aansprakelijke persoon niet veel later volgde, nu bij
“enig onderzoek”naar de vraag hoe de verkeerde voorstelling van zaken bij haar had kunnen ontstaan (zoals naar het oordeel van het hof van Beagle mocht worden verwacht), haar
“aanstonds (zou) zijn gebleken dat de notaris haar niet had gewezen op het feit dat ter zake van perceel [001] nog een onteigeningsprocedure liep”. De klachten van het subonderdeel moeten reeds bij gebrek aan belang falen, als ook het oordeel dat Beagle al vóór 2 oktober 2006 met de voor de schade aansprakelijke persoon bekend was, standhoudt. Zoals bij de bespreking van onderdeel 3 zal blijken, meen ik dat dit laatste inderdaad het geval is. Volledigheidshalve zal ik de klachten van het subonderdeel niettemin bespreken.
“toekomstige interveniënte”aan één van de deskundigen een reactie heeft gegeven op het concept-deskundigenbericht. [13] . De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft uit de bedoelde brief niet meer afgeleid dan dat Beagle in ieder geval op 2 oktober 2006 ermee bekend moet zijn geweest dat nog een onteigeningsprocedure liep en dat haar eerdere voorstelling van zaken ten tijde van de koop van perceel 2623 dat geen onteigeningsprocedure meer liep, dus onjuist was.
onder a(in fine) te hebben betoogd dat in de volgens het subonderdeel gepasseerde stellingen het verweer van Beagle ligt besloten dat de “daad van bekendheid” van de advocaat van [betrokkene 1], mede namens Beagle als toekomstige interveniënte in de onteigeningsprocedure, als een “daad van bekendheid” van die advocaat zijdens Beagle
buiten rechteheeft te gelden, omdat Beagle op dat moment nog geen procespartij was, en dat die “daad van bekendheid” van de advocaat als
buiten het gedingverrichte handeling niet reeds als zodanig en zonder meer aan Beagle kon en mocht worden toegerekend, betoogt het subonderdeel
onder bdat het hof, als het heeft geoordeeld dat de brief van 2 oktober 2006 als een “daad van bekendheid”
in rechteheeft te gelden, van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
Onder cbetoogt het subonderdeel dat het hof, als het heeft geoordeeld dat de “daad van bekendheid”
buiten rechtevan de advocaat van [betrokkene 1], mede namens Beagle als toekomstige interveniënte, als zodanig en zonder meer aan Beagle kon en mocht worden toegerekend, eveneens van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven.
Onder dbetoogt het subonderdeel dat, als het hof heeft bedoeld dat onder de gegeven omstandigheden mag worden aangenomen de aan de “daad van bekendheid” van de advocaat van [betrokkene 1] een eigen daad van Beagle is voorafgegaan waaruit haar bekendheid met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon blijkt, het hof eveneens van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, omdat de in de rov. 3.6 en 3.8 besproken omstandigheden die conclusie c.q. dat vermoeden niet reeds als zodanig en zonder meer kunnen wettigen. Voor zover dat laatste anders is, klaagt het subonderdeel
onder edat het hof Beagle ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het (feitelijke) vermoeden van een aan de brief van 2 oktober 2006 voorafgegane “daad van bekendheid” van Beagle
zelf.
Onder ften slotte klaagt het subonderdeel dat het hof zijn arrest althans niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed voor zover het Beagle niet tot het leveren van tegenbewijs heeft toegelaten en dat in dat verband onvoldoende is dat tussen partijen niet in geschil is dat Beagle al in de herfst van 2004 door de advocaat van [betrokkene 1] van de lopende onteigeningsprocedure op de hoogte is gesteld.
buiten rechtezou kunnen gelden [14] . Het bestreden oordeel houdt echter niet in dat de genoemde brief als een - in het kader van de regeling van het recht van verzet toereikende - “daad van bekendheid” van Beagle geldt. Terecht wijst [verweerster] in haar schriftelijke toelichting onder 46 erop dat het hof de term “daad van bekendheid” überhaupt niet heeft gebruikt en dat de vraag of Beagle een toereikende “daad van bekendheid” in de zin van de regeling van het recht van verzet heeft verricht, hier niet aan de orde is; het gaat in de onderhavige zaak niet om het moment waarop een termijn van verzet ingevolge art. 143 lid 2 Rv Pro is gaan lopen, maar om de vraag op welk moment de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro is ingegaan. Bij de beantwoording van die laatste vraag heeft het hof uit de inhoud van de genoemde brief afgeleid dat Beagle in elk geval ten tijde van die brief met de nog lopende onteigeningsprocedure bekend was. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, reeds omdat de regeling van het recht van verzet hier niet (ook niet naar analogie) van toepassing is. Bij die stand van zaken missen niet alleen de rechtsklachten, maar ook de motiveringsklachten van het subonderdeel doel, nu ook die motiveringsklachten steeds van een door het hof aangenomen “daad van bekendheid” uitgaan.
“aanstonds”had moeten realiseren dat de notaris haar niet had gewezen op het feit dat ter zake van perceel [001] nog een onteigeningsprocedure liep.
onder 3.1bouwt voort op eerdere klachten en berust op het onjuiste uitgangspunt dat de schade in oktober 2006 nog niet daadwerkelijk was ontstaan. Ook de klacht
onder 3.2mist zelfstandige betekenis. Beagle stelt op die plaats dat om de in de voorgaande klachten aangevoerde redenen zij op dat moment niet daadwerkelijk in staat was om tegen [verweerster] de rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen.
onder 3.4klaagt, geeft ’s hofs oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het inhoudt dat van Beagle onder de gegeven omstandigheden - waarin zij bekend was met de onjuistheid van de aanname dat er geen onteigeningsprocedure ter zake van perceel [001] meer liep en met de daardoor geleden schade - enig onderzoek mocht worden verwacht naar de oorzaak van de bij haar ontstane verkeerde voorstelling van zaken. In dit verband kan worden gewezen op HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 m.nt. C.E. du Perron, waarin het volgende is overwogen:
“Het besef dat we het perceel kwijt zouden raken kwam tijdens de onteigeningsprocedure. Het klopt dat we hebben gewacht met het ondernemen van actie tegen de notaris, maar we wilden eerst kijken of de andere percelen rendement zouden opleveren.”
onder adat om de al eerder aangevoerde redenen niet relevant, bepalend of beslissend is dat, kort gezegd, volgens de in rov. 3.8 geciteerde verklaring van [betrokkene 3], Beagle al eerder bekend was met de mogelijkheid om de notaris aan te spreken, dat wil zeggen [verweerster] c.s. aansprakelijk te stellen.
onder bop tegen deze lezing van de verklaring van bestuurder [betrokkene 3]. Zij zou in het licht van de andersluidende stellingname van Beagle onbegrijpelijk zijn. Beagle verwijst naar haar pleitnota ten behoeve van de zitting op 22 februari 2016 onder 15, waar het volgende kan worden gelezen: