Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
in zijn hoedanigheidvan
gedelegeerdrechter, omdat twijfels over onpartijdigheid noodzakelijk de persoon van de rechter betreffen.
impartial tribunal”) wordt in de rechtspraak van het EHRM onderscheid gemaakt tussen subjectieve en objectieve onpartijdigheid. Subjectieve onpartijdigheid vereist dat de persoonlijke overtuiging van de rechter niet vooringenomen is. Een rechter wordt vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig te zijn totdat het tegendeel bewezen is. De vrees voor subjectieve partijdigheid moet bovendien objectief gerechtvaardigd zijn. [7] De maatstaf van objectieve onpartijdigheid houdt in dat, los van een persoonlijke overtuiging van de rechter, er voldoende waarborgen zijn om bij de procespartijen iedere objectief gerechtvaardigde twijfel aan zijn onpartijdigheid uit te sluiten [8] . De bewijsdrempel is hier lager dan bij de subjectieve (on)partijdigheid. De rechtspraak van het EHRM over onpartijdigheid is, onvermijdelijk, casuïstisch van aard. [9] Smits concludeert dat klachten over onvoldoende onpartijdigheid die zijn gebaseerd op het gedrag van een rechter tijdens een rechtszaak, meestal zonder succes zijn: er kunnen wel enkele kritiekpunten zijn, maar op de ‘
trial as a whole’acht het Europese Hof dan vaak weinig aan te merken. [10] Een rechter kan niet als partijdig worden aangemerkt enkel op de grond dat uit vragen die de rechter tijdens een zitting stelt, blijkt dat de rechter op basis van het dossier zich een eerste oordeel over de zaak heeft gevormd. [11] Bij de beoordeling kan een rol spelen of de interventie van de rechter te beschouwen is als een drastische of ongebruikelijke afwijking van de normale gang zaken bij het gerecht. [12] Smits leidt uit het arrest van het EHRM inzake C.G./Verenigd Koninkrijk af dat indicatoren voor het beoordelen van beweerd intimiderend optreden van een rechter tijdens een zitting kunnen zijn: de aard en frequentie van de interventies van de rechter; waren de interventies gerechtvaardigd?; had het gedrag van de rechter feitelijk (negatieve) invloed op de advocaat? [13]
preventiefrechtsmiddel is aangewend) staat niet eraan in de weg dat
achteraf, in het kader van een rechtsmiddel tegen een vonnis of arrest, bij een hogere rechter alsnog wordt geklaagd over een schending van het recht op behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. [19]
raadsheer-commissaris. Aansluitend is vermeld dat partijen akkoord zullen gaan met een wisseling van
raadsheer-commissaris. Het proces-verbaal bevat geen enkele mededeling over de vraag of mr. Van den Bergh al dan niet deel blijft uitmaken van de kamer die na de getuigenverhoren arrest zal wijzen. Zoals hiervoor toegelicht, zijn ‘raadsheer-commissaris’ en ‘lid van de meervoudige kamer’ twee verschillende hoedanigheden. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat mr. Van den Bergh zichzelf onvoldoende onbevangen achtte om de zaak verder te behandelen en te beslissen, noch dat hij van mening was dat een schijn van partijdigheid kon zijn gewekt. De redenen voor het terugnemen door [eiseres] c.s. van haar getuige [getuige 1] worden in het proces-verbaal uitdrukkelijk voor rekening van [eiseres] c.s. gelaten. Ik kom dan ook tot de slotsom dat, op basis van het verloop van de zitting zoals dat in het proces-verbaal is weergegeven, [eiseres] c.s. in redelijkheid niet ervan hebben mogen uitgaan dat mr. Van den Bergh zich heeft teruggetrokken als lid van de zetel (de arrest wijzende kamer).
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
feitelijkgebruik maakt van de desbetreffende zaak. [27] Door sommige schrijvers wordt aangenomen dat het tweede lid van art. 6:181 BW Pro ook toepassing kan vinden indien het gaat om het ter beschikking stellen van een zaak, opstal of dier binnen concernverband. [28] Hiermee hangt samen de vraag of, en zo ja, in hoeverre binnen een concern of ander samenwerkingsverband (bijv. in een maatschap) met elkaar verbonden (rechts)personen geacht kunnen worden samen één bedrijf uit te oefenen in de zin van art. 6:181 BW Pro. Hoewel die mogelijkheid volgens de wetgever niet is uitgesloten [29] , bestaat discussie over de vraag of dit niet op gespannen voet staat met de door artikel 6:181 lid 2 beoogde Pro centralisatie van aansprakelijkheid bij één partij. [30]
onderdeel Irichten Planet c.s. klachten tegen het oordeel, in rov. 3.12 van het tussenarrest en gehandhaafd in het eindarrest, dat aansprakelijkheid van [eiseres 2] niet kan worden gebaseerd op art. 6:181 BW Pro. Het middelonderdeel valt uiteen in zes subonderdelen.
Onderdeel I.akomt neer op de klacht dat het hof heeft miskend dat – ten aanzien van de toepasselijkheid van de tenzij-clausule in het eerste lid van artikel 6:181 BW Pro − de stelplicht en de bewijslast rusten op de partij die zich daarop heeft beroepen [31] ; in dit geval dus op [eiseres] c.s.
gebrekkigeopstal, ‘nu die een geringere bescherming van derden tegen de gevaren van brand biedt dan gelet op de specifieke bedrijfsuitoefening van [eiseres 2] in dit compartiment, in de gegeven omstandigheden mocht worden verlangd’. In de uitvoerige toelichting op de klacht wordt nader ingegaan op deze omstandigheden.
ontstaanvan de schade, d.w.z. met het
uitbrekenvan de brand.
Onderdeel II.bklaagt subsidiair over een (in het licht van de stellingen van Planet c.s.) tekortschietende motivering. Volgens het onderdeel is het bestreden oordeel bovendien onbegrijpelijk indien het hof ervan uitgaat dat Planet c.s. de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) enkel heeft gebaseerd op het gedemonteerd laten van het deksel van de accuruimte van de vrachtauto.
Onderdeel II.cklaagt over onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het oordeel dat [eiseres 2] geen verdere veiligheidsmaatregelen behoefde te treffen.
nietervan uitgegaan dat het aan [eiseres 2] gemaakte verwijt uitsluitend was beperkt tot het (in het weekend) gedemonteerd laten van het deksel van de accu van deze vrachtauto [38] . Dit volgt reeds uit de wijze waarop het hof de stellingen van Planet c.s. op dit punt in het tussenarrest heeft weergegeven (“terwijl voorts de deksel van de accuruimte was gedemonteerd”). De beoordeling, in rov. 3.15, of [eiseres 2] de door art. 6:162 BW Pro vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, laat zich dan ook niet lezen alsof deze beperkt is tot het (tijdens het weekend) gedemonteerd laten van het accudeksel. Bovendien heeft het hof in rov. 2.35 van het eindarrest vastgesteld dat uit het getuigenverhoor van de chef van de werkplaats is gebleken dat hij het accudeksel niet heeft verwijderd. De motiveringsklachten van onderdeel II.b treffen geen doel.