Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
BNB2009/230 (waarin eveneens de wetsgeschiedenis bij artikel 6.27 Wet IB 2001 is opgenomen) volgt dat het oogmerk – en de redelijke verwachting of dit oogmerk zou kunnen worden verwezenlijkt – tijdens de duur van de studie of opleiding naar de omstandigheden moet worden beoordeeld. De Rechtbank en het Hof gaan uit van een verkeerd toetsingsmoment, nu zij hebben beoordeeld of aan voorgenoemde vereisten is voldaan
navoltooiing van de studie of opleiding.
4.Persoonlijke aftrek (scholingsuitgaven)
Wettekst
artikel 35 Wet Pro IB 1964: [14] , [15]
BNB2009/230 heeft Hoge Raad invulling heeft gegeven aan het uit artikel 6.27 Wet IB 2001 voortvloeiende vereiste dat scholingsuitgaven met het oog op verwerven van inkomen uit werk en woning zijn voldaan. [16] In dit arrest was in geschil of de door belanghebbende gemaakte opleidingskosten als scholingsuitgaven in mindering mochten worden gebracht op het inkomen uit werk en woning. In deze zaak was belanghebbende in 2001 werkzaam als directeur van een BV die zich bezighield met de verkoop van elektronica. Belanghebbende heeft tussen 1996 en 2001 een opleiding tot beroepsvlieger gevolgd en voltooid. In het jaar 2006 heeft hij de opleiding tot vlieginstructeur gevolgd en is hij vanaf 1 augustus 2006 voor bepaalde tijd werkzaam als vlieginstructeur. Voor het jaar 2001 heeft belanghebbende kosten gemaakt in verband met zijn opleiding tot beroepsvlieger. Deze kosten heeft hij bij zijn aangifte IB/PVV 2001 in mindering gebracht op zijn belastbare inkomen. Bij vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur deze opleidingskosten niet in aftrek toegelaten.
BNB2009/230 als volgt:
BNB2009/230 heeft de Hoge Raad aldus bepaald dat opleidingskosten kunnen worden aangemerkt als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001 indien een belanghebbende het oogmerk had om een beroep uit te oefenen en in redelijkheid kon verwachten dat dit oogmerk na voltooiing van de opleiding zou kunnen worden verwezenlijkt. [18]
BNB2009/230 zijn verscheidene annotaties verschenen.
Spekannoteerde als volgt: [26]
V-N2008/48.12, blijft daarbij wel van belang dat het volgen van een opleiding of studie ook redelijkerwijs productief kan worden gemaakt. Dat is nu juist ook datgene wat het verwijzingshof nog moet beoordelen. En die beoordeling moet niet louter plaatsvinden bij de aanvang van de studie, maar moet telkenjare naar de omstandigheden worden beoordeeld. Dat betekent bijvoorbeeld dat een opleiding die puur uit persoonlijke interesse is gestart, maar later wordt gebruikt voor het verwerven van (een mogelijk dus wel laag) inkomen, vanaf dat moment kan kwalificeren voor aftrek.(…)
5.Behandeling van de klachten
Inleiding
BNB2009/230 blijkt dat opleidingskosten als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001 worden aangemerkt indien een belanghebbende het oogmerk had om een bepaald beroep uit te oefenen en in redelijkheid kon verwachten dat hij dit oogmerk na voltooiing van zijn opleiding zou kunnen verwezenlijken. [33]
om daarmee inkomen te verwerven. [43] Daarmee is dus volgens de Rechtbank voldaan aan de wettelijke eis als bedoeld in artikel 6.27 Wet IB 2001. [44] De Rechtbank overweegt daarna echter dat belanghebbende niet in redelijkheid kon verwachten dat dit oogmerk kon worden verwezenlijkt. Dit is echter niet de toets die de Hoge Raad in het arrest HR
BNB2009/230 heeft aangelegd. De Hoge Raad heeft in dit arrest namelijk getoetst of de belanghebbende aldaar met het volgen van de cursussen het oogmerk had om
beroepsvliegerte worden (dus een bepaald beroep/functie te kunnen uitoefenen) en in redelijk kon verwachten of hij dit oogmerk zou kunnen verwezenlijken (dus het beroep zou kunnen uitoefenen).
BNB2009/230 volgt dat het aan belanghebbende is om te stellen en aannemelijk te maken dat hij de cursussen volgde met het oogmerk om een bepaalde functie te kunnen uitoefenen en dat hij in redelijkheid kon verwachten dat dit oogmerk na voltooiing van de opleiding zou kunnen verwezenlijken. In de van belanghebbende afkomstige stukken is echter niet een dergelijke stelling te lezen en deze is gezien de uitspraak van het Hof ook niet aannemelijk gemaakt. Daarom kan zijn claim om aftrek van scholingsuitgaven niet worden gehonoreerd, zodat ook om die reden het beroep faalt.