ECLI:NL:PHR:2009:BF3924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van scholingsuitgaven zonder inkomensverbetering vereist
Belanghebbende volgde een deeltijdopleiding tot beroepsvlieger en bracht de gemaakte studiekosten in aftrek als scholingsuitgaven in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001. De Inspecteur wees deze aftrek af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank en het hof. De rechtbank oordeelde dat de kosten aftrekbaar waren, maar het hof stelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij aanvang van de studie redelijkerwijs kon verwachten zijn financieel-economische positie te verbeteren.
De Hoge Raad stelt dat het criterium van inkomensverbetering niet doorslaggevend is en dat het oogmerk om de opleiding productief te maken en een redelijke verwachting daarvan op het moment van de uitgave bepalend zijn. Het hof had ten onrechte het oogmerk op het moment van aanvang van de studie beoordeeld in plaats van op het moment van de uitgave. Ook is niet vereist dat de studie leidt tot een hogere financiële positie dan voorheen.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde beoordeling, waarbij onder meer moet worden vastgesteld of de scholingsuitgaven in 2001 met het oogmerk zijn gedaan om inkomen te verwerven en of interne compensatie van toepassing is. De Hoge Raad benadrukt dat scholingsuitgaven ook aftrekbaar kunnen zijn indien de belastingplichtige van beroep verandert zonder inkomensverbetering, mits de verworven kennis productief kan worden gemaakt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling terug.