Conclusie
1.Feiten en procesverloop
égalité devant les charges publiques’) acht hij de Staat voor deze schade aansprakelijk.
voor de toepassing van de billijkheidscorrectievereenzelvigd moeten worden. Art. 6:101 lid 1 BW Pro laat toe “andere omstandigheden van het geval” in aanmerking te nemen. Niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat de eigenaar geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag van zijn huurder of van de keuze voor een bepaalde huurder, niet zou kunnen worden gerekend onder de omstandigheden van het geval (rov. 8).
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen de verwerping van het primaire standpunt van de Staat. Het bevat (onder 1.1) de rechtsklacht dat art. 6:101 BW Pro in dit geval geen ruimte biedt voor een billijkheidscorrectie zoals deze. Verder klaagt de Staat (onder 1.2) dat de billijkheidscorrectie op een rechtens onjuiste wijze dan wel op onbegrijpelijke gronden is verricht.
aan de zijde van de benadeelde eigenaarworden betrokken.
ook voor de toepassing van de billijkheidscorrectiemet elkaar vereenzelvigd moeten worden. De toerekeningsregeling in het tweede lid van art. 6:101 BW Pro noopt volgens de klacht wél tot een dergelijke vereenzelviging. Om dezelfde reden bestrijdt het middelonderdeel het oordeel (in rov. 8) dat het primaire standpunt van de Staat zich niet verhoudt tot het uitgangspunt dat de schade van de eigenaar buiten zijn normale maatschappelijke risico valt en in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens het middelonderdeel derogeert de bijzondere risicoregeling van art. 6:101 lid 2 BW Pro aan ‘de risicoregeling die het door het hof bedoelde égalité-leerstuk beoogt te zijn’.
égalité devant les charges publiques’ (of kortweg: het égalité-beginsel). In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad het égalité-beginsel betrokken in de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van bepaalde overheidshandelingen [7] . Aan de behartiging van een openbaar belang, zoals de opsporing van strafbare feiten, is inherent dat daarbij schade wordt of kan worden toegebracht aan anderen dan verdachten van het strafbare feit [8] . Tenzij de grens van de proportionaliteit wordt overschreden, zoals bij nodeloze beschadiging, dient de rechtmatige uitoefening van de wettelijke plicht of ambtelijke bevoegdheid als een rechtvaardigingsgrond voor (in dit geval) het beschadigen van andermans eigendom. Dat is dan ook de reden waarom dit handelen van de overheid moet worden geduld, ook door anderen dan de verdachte. Het overheidsoptreden, ook al geschiedt dit met inachtneming van alle toepasselijke publiekrechtelijke regels, kan onrechtmatig worden jegens de benadeelde burger (niet zijnde de verdachte) wanneer deze burger achterblijft met schade als gevolg van een wijze van behartiging van het openbaar belang die het normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico van de benadeelde burger te buiten gaat. De Hoge Raad heeft deze maatstaf geformuleerd als volgt:
allenadelen van rechtmatige opsporingshandelingen voor anderen dan de verdachte dient te vergoeden bestaat niet. Op 17 september 2004 overwoog de Hoge Raad [10] :
onrechtmatigedaad.
circuit d’actionsdreigt. Volgens het toenmalige cassatiemiddel van de Staat en ook volgens de Hoge Raad gaf het hof daarmee een te beperkte uitleg aan art. 6:101 lid 2 BW Pro. De Hoge Raad overwoog:
circuit d’actionsmoet worden gevreesd (zie alinea 2.11 hiervoor), zou de Staat indien deze door de verhuurder tot schadevergoeding wordt aangesproken, zich op het tweede lid kunnen beroepen. [20]
laedens(hier: een orgaan van de Staat) volledig in stand blijft. Subonderdeel 1.1, dat een ander standpunt verdedigt, leidt om deze reden niet tot cassatie.
Betriebsgefahr, aard en ernst van de schade [21] . In de Parlementaire Geschiedenis bij art. 6:101 BW Pro valt hierover te lezen:
in dit gevalgeen grond is voor een billijkheidscorrectie ten laste van de Staat. Het meer subsidiaire standpunt hield in dat, indien er al grond is voor een billijkheidscorrectie, er geen grond is voor het volledig (100%) in stand laten van de verplichting van de Staat tot schadevergoeding.