Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 23 februari 2016
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Het is huurder niet toegestaan om het gehuurde anders te gebruiken dan aangegeven bij artikel 1.2. Het is huurder verboden in het gehuurde verdovende middelen, drugs etc. te verhandelen of te produceren, dan wel gelegenheid te geven tot handel / productie in deze middelen, dan wel het gebruik op enigerlei wijze toe te staan. (…) Indien in het pand bovenstaande activiteiten plaatsvinden of illegale stoffen, waaronder drugs (…) worden aangetroffen, zal deze overeenkomst van rechtswege zijn ontbonden. Huurder zal het pand dan met onmiddellijke ingang ontruimen en opleveren. De bankgarantie/waarborgsom zal dan toekomen aan de verhuurder. Huurder is aansprakelijk voor alle schaden die verhuurder zou kunnen leiden door het illegale gebruik.”
grief Ikomt de Staat op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een billijkheidscorrectie van 100% moet worden toegepast, zodat de Staat alle schade dient te dragen. De Staat betoogt primair, samengevat weergegeven, dat er in dit geval geen ruimte is voor het toepassen van een billijkheidscorrectie op basis van omstandigheden die de benadeelde betreffen, omdat dit zich niet verdraagt met de ratio van het tweede lid van artikel 6:101 BW Pro. Subsidiair betoogt de Staat dat, als er ruimte is voor toepassing van de billijkheidscorrectie, die geen andere verdeling eist dan waartoe de wederzijdse causaliteit aanleiding geeft, te weten volledige eigen schuld van de huurder, zodat [geïntimeerde] de schade moet dragen. Meer subsidiair voert de Staat aan dat in ieder geval geen billijkheidcorrectie van 100% ten gunste van [geïntimeerde] had mogen worden toegepast.
Grief 2betreft het oordeel van de kantonrechter dat de stelling van [geïntimeerde] dat de bij het overheidsoptreden veroorzaakte schade disproportioneel is geweest, geen bespreking behoeft.
Grief Istuit op het bovenstaande af. Dat betekent reeds dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd, zodat in het midden kan blijven of het optreden van de Staat al dan niet proportioneel was, zoals de Staat in
grief IIaan de orde stelt. Ook die grief faalt daarom.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 25 april 2014;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 308,- aan verschotten en € 1.896,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.