Conclusie
1.[verzoekster 1] ,
[verzoeker 2] ,
[verzoeker 3] ,
[verzoeker 4] ,
B&S Holland Trading Group B.V.,
B&S International B.V.,
B&S Investment B.V.,
[verzoeker 8] ,
"Wij danken u voor uw opdracht en bevestigen u hierbij de overeengekomen werkzaamheden voor de renovatie van de vloer in uw magazijn aan de [a-straat 1] te Amsterdam".
"1e termijn renovatie van de vloer van uw magazijn aan de [a-straat 1] te Amsterdam. 20% na getekende opdracht."
"de door haar [Anker] gemaakte kosten en nog gestelde te verwachten kosten konden in redelijkheid niet worden gemaakt. Anker heeft dan ook voor eigen rekening en risico de opdracht aan [verzoeker] verstrekt. Zij mocht de kosten daarvoor niet met de huur verrekenen."
NJ1989, 4). Overigens gaat het verwijt dat [verzoeker] c.s. de rechtbank maakt, bepaald niet op. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.5 van het bestreden vonnis [3] klip en klaar uitgelegd waarom zij het aanhoudingsverzoek afwijst, hetgeen zij nog verder heeft uitwerkt in rechtsoverweging 3.7. Van een essentieel verzuim van vormen is het hof dan ook niet gebleken. Het beroep op de doorbrekingsjurisprudentie faalt dan ook.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1lees ik de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat het door [verzoeker] c.s. aangevoerde een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 Rv Pro kan bewerkstelligen. [verzoeker] c.s. stellen dat zij als doorbrekingsgronden hebben aangevoerd dat (i) de rechtbank bij de toepassing van art. 186 Rv Pro ten onrechte het verzoek van [verzoeker] c.s. tot aanhouding van de behandeling van het getuigenverhoor in afwachting van een arrest in de bodemprocedure buiten toepassing heeft gelaten en daarmee buiten het toepassingsbereik van art. 186 Rv Pro – als wettelijke bepaling tot
voorlopigebewijslevering – is getreden of dit artikel ten onrechte heeft toegepast, én (ii) de rechtbank binnen dat kader essentiële vormen heeft verzuimd door niet gemotiveerd op dat verzoek te beslissen en zodoende fundamentele beginselen van behoorlijke rechtsbedeling, waaronder de rechterlijke motiveringsplicht, heeft veronachtzaamd [12] .
Enka/Dupont [13] volgt dat dit asymmetrische appelverbod op bepaalde gronden kan worden doorbroken.
afwijzingsgronden. Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor kan (inhoudelijk) worden afgewezen als de rechter feiten en omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met een goede procesorde, wanneer misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verlangen of als het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar [19] . Een voorlopig getuigenverhoor kan eveneens worden afgewezen op grond van onvoldoende belang [20] . Bij de beoordeling of zich een grond voor afwijzing van het verzoek voordoet, kan van belang zijn of een bodemprocedure aanhangig is, en of daarin al op een bewijsaanbod is beslist [21] .
subsidiaire verzoekniet heeft toegewezen, althans daar niet over heeft geoordeeld (beroepschrift aanhouden voorlopig getuigenverhoor onder 3). [verzoeker] c.s. voeren aan ontvankelijk te zijn in hun beroep, nu het appelverbod van art. 188 lid 2 Rv Pro niet ziet op de afwijzing van het subsidiaire zelfstandige verzoek van [verzoeker] c.s. tot aanhouding van het voorlopig getuigenverhoor (onder 5). In het geval er
weleen appelverbod geldt, zijn [verzoeker] c.s. alsnog ontvankelijk in hun beroep, zo stellen zij onder 6 onder verwijzing naar
Enka/Du Pont, nu de rechtbank essentiële vormen heeft verzuimd door niet op het subsidiaire verzoek van [verzoeker] c.s. te beslissen. Vervolgens gaan [verzoeker] c.s. inhoudelijk in op het verzoek van Warburg en betogen zij onder meer dat verscheidene afwijzingsgronden opgaan; Warburg zou geen belang hebben bij het voorlopig getuigenverhoor, misbruik maken van bevoegdheid om al een getuigenverhoor te verzoeken zonder dat de bodemprocedure is geëindigd en het verzoek van Warburg zou in strijd zijn met de goede procesorde (onder 12-15).
afwijzingsgrondenvan een voorlopig getuigenverhoor [23] ) aangevoerd dat een verzoek kan worden
afgewezenals het voor de hand ligt eerst af te wachten of de bodemrechter bewijslevering nodig zou vinden (onder 7-9). Met het oog op de lopende procedure bij het hof Amsterdam tussen Warburg en Anker, waarin het feitencomplex en de centrale stelling van Warburg identiek zijn (onder 10), is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het subsidiaire verzoek tot aanhouding van [verzoeker] c.s., waarop volgt (onder 11):
- Ten eerste kwalificeert het hof in rov. 5.2 het aanhoudingsverzoek van [verzoeker] c.s. als een
- Vervolgens oordeelt het hof dat [verzoeker] c.s. zich ten overvloede hebben beroepen op de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad door te stellen dat de rechtbank in strijd met essentiële vormen heeft gehandeld door niet gemotiveerd op het aanhoudingsverzoek te beslissen. Naar vaste jurisprudentie (waarbij het hof verwijst naar HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701, NJ 1989/4) behoort een schending van het motiveringsbeginsel niet tot de essentiële vormverzuimen die doorbreking van het appelverbod kunnen bewerkstelligen.
- Ten slotte oordeelt het hof dat het verwijt dat [verzoeker] c.s. de rechtbank maken niet op gaat; de rechtbank heeft de afwijzing van het aanhoudingsverzoek wel degelijk gemotiveerd in rov. 3.5. en 3.7 van haar beschikking.
verweertegen de toewijsbaarheid van het verzoek van Warburg tot het toestaan van een voorlopig getuigenverhoor. Deze kwalificatie van het hof is een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst [24] en dat gezien het in feitelijke instanties door [verzoeker] c.s. aangevoerde niet onbegrijpelijk is. [verzoeker] c.s. voeren ter onderbouwing van deze doorbrekingsgrond aan dat de rechtbank het verzoek had moeten
afwijzenen voeren in dat kader aan dat een verzoek kan worden
afgewezenals het voor de hand ligt eerst af te wachten of de bodemrechter bewijslevering nodig zou vinden [25] . Wij zagen al dat de onjuiste toepassing van een regel geen grond voor doorbreking is [26] . Van het ten onrechte toepassen van art. 186 Rv Pro (in de zin van de doorbrekingsgrond uit
Enka/Dupont) is sprake als een voorvraag van ontvankelijkheid of bevoegdheid door de rechter verkeerd is beantwoord [27] – dat hiervan sprake zou zijn is door [verzoeker] c.s. in feitelijke instanties niet gesteld.
subonderdeel 1.3over de begrijpelijkheid van het (volgens [verzoeker] c.s. ten overvloede gegeven, maar naar zij stellen zelfstandig dragende) oordeel van het hof in rov. 5.3 dat in rov. 3.5 en 3.7 van de bestreden beschikking “klip en klaar uitgelegd” wordt waarom de rechtbank het aanhoudingsverzoek afwijst. [verzoeker] c.s. voeren aan dat in deze rechtsoverwegingen door de rechtbank slechts is onderzocht of Walburg belang had bij het verzochte voorlopige getuigenverhoor (rov. 3.5) en of het verzoek van Walburg in strijd was met de goede procesorde (rov. 3.7). Deze rechtsoverwegingen laten zich volgens [verzoeker] c.s. niet lezen als (expliciete of impliciete) motivering voor een beslissing van de rechtbank dat de behandeling van het voorlopige getuigenverhoor niet zou worden aangehouden. Het subonderdeel plakt daar nog de rechtsklacht aan vast dat ook om die reden het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 186 en Pro 188 lid 2 Rv of buiten het toepassingsgebied daarvan is getreden met zijn obiter in rov. 5.3.
of [verzoeker] c.s., en dus niet Anker als rechtspersoon, afzonderlijk onrechtmatig jegens Warburg hebben gehandeld. Bovendien ziet de procedure tussen Warburg en Anker op een
huurgeschil, terwijl de door Warburg mogelijk in te stellen vordering tegen [verzoeker] c.s. gebaseerd is op
onrechtmatig handelen door de (indirect) bestuurders en de (bestuurder van de) aannemer. De rechtbank concludeert vervolgens:
door de rechter en door de griffier, alsmede door partijenwordt ondertekend. Voorlezing aan en medeondertekening van het p-v door partijen is dwingend voorgeschreven. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk: (i) als er geen inlichtingen zijn gegeven of (ii) als de verschenen partijen instemmen met het zonder hun medeondertekening opstellen van het p-v [30] . In de praktijk wordt van deze laatste uitzondering zeer regelmatig gebruik gemaakt en wordt het p-v buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt [31] . Soms wordt het p-v dan na afloop aan partijen toegezonden en kunnen partijen na ontvangst bij brief opmerkingen over kennelijke misslagen aan de rechter en de wederpartij doen toekomen [32] . De rechter kan het p-v herzien of de brief aan het p-v hechten [33] . In de literatuur zijn bezwaren geuit tegen deze werkwijze – hierdoor zou discussie kunnen ontstaan over wat er precies ter comparitie is verklaard [34] .
door de rechter ten overstaan van wie de behandeling heeft plaatsgevonden en door de griffier, zo bepaalt art. 279 lid 4 Rv Pro.
geeninvloed op de inhoud van dit p-v (in tegenstelling tot het p-v van een comparitie in dagvaardingszaken dat de handtekening van partijen behoeft, zoals wij net zagen, zodat zij door het wel of niet ondertekenen invloed op de inhoud kunnen uitoefenen en proberen te bevorderen dat het besprokene juist en op voor de beoordeling van het geschil toereikende wijze in het p-v wordt opgenomen) [37] . De inhoud van een p-v wordt immers niet door partijen maar door de voorzitter van het college en de griffier vastgesteld [38] . Op grond van art. 290 lid 1 Rv Pro hebben verzoeker en iedere belanghebbende wel recht op inzage en afschrift van het p-v en op grond van art. 290 lid 2 Rv Pro dient de griffier zo spoedig mogelijk afschriften van het p-v te verstrekken aan verzoeker en in de procedure verschenen belanghebbenden [39] . Deze voorschriften strekken er onder meer toe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een p-v kan betrekken bij zijn beslissing of, en zo ja op welke gronden, hij een rechtsmiddel zal instellen [40] .