Conclusie
“BESLISSING
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
2 (twee) weken hechtenis.
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
1 (één) week hechtenis.”
incentivezouden we tegenwoordig zeggen – om de veroordeelde tot betaling te bewegen. De vervangende vrijheidsstraf die daarvoor in de plaats kwam, had en heeft dezelfde functie. Die functie kan de gijzeling of de vervangende straf alleen vervullen als zij de veroordeelde zwaarder treft dan de opgelegde geldboete. De proportionaliteit mag daarbij echter niet uit het oog worden verloren. Het is daarom dat de gijzeling plaats maakte voor de vervangende straf. Dat de veroordeelde zwaarder wordt gestraft dan hij – gezien de opgelegde boete – eigenlijk verdient, is daarbij een dogmatisch bezwaar (dat niet gold voor de gijzeling die formeel geen straf is) waarover heengestapt kan worden omdat de veroordeelde, met wiens draagkracht bij de oplegging van de boete rekening is gehouden, het goeddeels in eigen hand heeft of hij de vervangende straf moet uitzitten. Tegelijk geldt dat de stok achter de deur niet zwaarder mag zijn dat nodig is om het gewenste effect te sorteren. Dat vormt, naast de proportionaliteitsgedachte, een extra reden om de duur van de vervangende hechtenis te beperken. Voor de vervanging van de taakstraf door hechtenis komt daar nog bij dat de veroordeelde een reële keuze moet worden gelaten opdat de taakstraf niet ontaardt in dwangarbeid.