In deze zaak stond de vraag centraal of het bedrijfsmatig telen van hennep voor gedoogde coffeeshops strafbaar blijft ondanks het feit dat de teelt plaatsvond onder voorwaarden van transparantie, belastingafdracht en zonder overlast. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens meerdere perioden van hennepteelt in strijd met de Opiumwet.
De verdediging voerde aan dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak omdat de hennepteelt uitsluitend diende voor levering aan gedoogde coffeeshops, met een verantwoord productieproces zonder winstbejag. Dit verweer werd door het hof verworpen, waarbij werd benadrukt dat het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als strafuitsluitingsgrond kan gelden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat het aan de wetgever is om te bepalen welke gedragingen strafbaar zijn en welke niet. Het feit dat het gedoogbeleid voor verkoop van hennep bestaat, betekent niet dat de teelt daarvan automatisch strafvrij is. Ook het beroep op artikel 9a Sr om af te zien van strafoplegging werd afgewezen vanwege de ernst van de feiten en het feit dat de verdachte zonder overleg met autoriteiten de teelt herhaaldelijk voortzette.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid faalt en dat de strafoplegging terecht is. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie leidde niet tot strafvermindering gezien de voorwaardelijke aard van de opgelegde straf.