Conclusie
B.
eerste middelklaagt dat het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro is geschonden doordat het hof - in afwijking van het in hoger beroep gevoerde verweer - voor het bewijs heeft gebezigd de vijf verklaringen die verdachte na zijn aanhouding op 17 oktober 2007 tegenover de politie (FIOD) heeft afgelegd op 17 en 18 oktober 2007.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuiste aangifte doen door de verschillende [A] BV’s in de jaren 2005-2007. Hiertoe wordt aangevoerd dat:
derde middelklaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van het ter terechtzitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de onjuistheid van de aangiften van de [A] BV’s voor de omzetbelasting in verband met de BTW-fraude door zijn leveranciers.