Conclusie
middelbehelst de klacht dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaringen van de (poging tot) oplichtingen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid niet kunnen dragen. Uit de toelichting blijkt dat het middel het oog heeft op de onder 1 tot en met 8 bewezen verklaarde feiten [1] en dat de klacht zich toespitst op de valse hoedanigheid.
Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is in verband met het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als een dergelijke presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
De als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van de bedrijfsleider van de firma [A] BV (feit 1) houdt in dat een man genaamd [betrokkene 1] telefonisch namens de firma [O] twee accuschroefboormachines bestelde. Er werd gesteld dat deze direct zouden worden opgehaald. Diezelfde dag verscheen een man aan de balie die zei dat er machines voor de firma [C] klaar zouden staan voor hem. De machines zijn op basis van het vertrouwen, dat de firma [C] bij de firma [A] geniet, meegegeven.
De als bewijsmiddel 34 gebezigde verklaring van de vestigingsleider van het bedrijf [D] (feit 5) houdt in dat dit bedrijf werd gebeld door een medewerker genaamd [betrokkene 2] van het bedrijf [C] . Deze medewerker bestelde op naam van [C] een accuboorhamer. Het bedrijf [C] is een vaste klant van [D] en koopt zijn goederen altijd op rekening. Toen de accuboormachine werd opgehaald, heeft de vestigingsleider geen orderbon gezien. Dit gebeurt volgens zijn verklaring nooit bij het bedrijf [C] .
De als bewijsmiddel 12 gebezigde aangifte namens [E] en gereedschappen (feit 2) houdt ten aanzien van de gang van zaken in de branche in dat, als er door een bedrijf goederen worden besteld, een factuur naar dat bedrijf wordt verstuurd. Als het bedrijf dat de bestelling plaatst bekend is, wordt er niet getwijfeld aan de bestelling. Het bedrijf [E] en gereedschappen werkt, net zoals vele bedrijven, met facturen. Ten aanzien van de bewezen verklaarde oplichting houdt de aangifte in dat een man naar het bedrijf belde die zich voordeed als [betrokkene 1] die werkzaam was bij [B] . De man had met spoed goederen nodig. Omdat [B] een groot bedrijf is in Rotterdam, was dit een interessante opdracht.
De als bewijsmiddel 21 gebezigde verklaring van de vestigingsleider van het bedrijf [H] BV (feit 3) houdt ten slotte in dat hij werd gebeld door een man die zich voorstelde als [betrokkene 3] en die werkzaam is bij de firma [M] BV. [L] is een klant van [H] BV. De man bestelde zes boorhamers die direct geleverd moesten worden. De verklaring van de vestigingsleider houdt voorts in dat hij de gereedschappen heeft geleverd omdat de man zich had voorgedaan als [betrokkene 3] van [M] BV en dat, als de man zich niet zo had voorgesteld, de gereedschappen niet aan hem zouden zijn verhuurd.