Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
11 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor internetoplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte bood via advertenties op Marktplaats en Speurders goederen aan die hij niet leverde, en gebruikte daarbij valse namen en verschillende e-mailadressen om verhaal door gedupeerden te bemoeilijken.
Het hof oordeelde dat het zich voordoen als een bonafide verkoper op zichzelf niet voldoende is voor het aannemen van een valse hoedanigheid, maar dat het opzettelijk hanteren van foutieve namen en e-mailadressen met het doel verhaal te bemoeilijken wel als zodanig kwalificeert. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verdachte en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk was. De bewezenverklaring steunde op diverse bewijsmiddelen waaronder aangiften van gedupeerden, bankafschriften en verklaringen van verdachte zelf.
De Hoge Raad benadrukte dat het geheel van gedragingen van verdachte, namelijk het aannemen van een valse hoedanigheid gecombineerd met het verstrekken van onbruikbare contactgegevens, als oplichting in de zin van art. 326 Sr Pro moet worden gezien. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor internetoplichting wordt bekrachtigd.