Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
conditio sine qua nonen redelijke toerekening.
in afwijking vande deskundigen – in rechtsoverweging 2.6.1 een gekapitaliseerde vergoeding voor inkomensschade toewijsbaar oordeelde, niet –
metde deskundigen – tot het oordeel kon komen dat er geen aanknopingspunten waren om het bestaan van belastingschade aan te nemen.
nietis voldaan, formuleert in de zaak
[…]/Staat [30] (cursiveringen toegevoegd):
buitensporigekosten die de onteigende gemaakt heeft voor het voeren van een
bij voorbaat kansloosverweer tegen de vordering tot vervroegde onteigening, niet of in verminderde mate voor vergoeding in aanmerking komen.’
relatiefbeperkt verschil tussen het aanbod en de uiteindelijk toegekende schadeloosstelling. Daarnaast geldt dat de rechtbank een bedrag heeft toegewezen dat twee keer zo hoog is als het bedrag dat de deskundigen aan kosten hebben gemaakt, wat impliceert dat de rechtbank heeft onderkend dat er een verschil in inzet tussen beiden bestaat. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat Vado gebruik heeft gemaakt van een veelvoud van actoren zonder dat de precieze omvang van hun opdrachten en uitgevoerde werkzaamheden inzichtelijk is gemaakt. Bezien met de distantie die ten opzichte van het oordeel van de feitenrechter past, voldoet deze motivering (ruimschoots), zo laat zich verdedigen.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rechtsoverweging 2.6.1 van het vonnis van de rechtbank, waarin is overwogen:
in totaaldoor Vado geleden schade van een zodanige verwerving wél uit. In verband daarmee voel ik wel voor een meer welwillende lezing van het onderdeel, volgens welke de klachten terecht ervan uitgaan dat de deskundigen en de rechtbank hebben verondersteld dat Vado een vervangend pand met een gelijkwaardige huurwaarde zal kunnen verwerven.
in abstractotevens een gelijkwaardige (inkomens)potentie in zich bergt.
In concretokan het echter anders zijn. Een bekend voorbeeld zijn hogere rentelasten, namelijk in het geval de actuele marktrente hoger is dan waartegen het onteigende was gefinancierd. [33] De opvatting waarvan het onderdeel uitgaat, is dus onjuist. Onder omstandigheden is wel degelijk denkbaar dat de onteigende inkomensschade lijdt, ook al wordt hem de werkelijke waarde vergoed en is hij in staat om een vergelijkbaar object te verwerven. De rechtsklacht van het onderdeel faalt dus.
tweede onderdeelis gericht tegen rechtsoverweging 2.6.3 van het vonnis van de rechtbank, waarin als volgt is overwogen: