Conclusie
primair: [betrokkene 1] te veroordelen om te dulden dat de Stichting aan eisers zal terugbetalen het onder de Stichting berustende bedrag van NLG 165.000, en
subsidiair: [betrokkene 1] te veroordelen om te dulden dat de Stichting het onder haar berustende bedrag van NLG 165.000 onder zich zal houden zolang het door de Ontvanger gelegde eigenbeslag of het door het Lisv onder de Ontvanger gelegde beslag niet is opgeheven en totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist over de door [betrokkene 1] tegen de Ontvanger bij dagvaarding van 18 maart 1999 ingestelde vordering, waarna de Stichting – indien de Ontvanger in die zaak in het gelijk zal worden gesteld – het bedrag van NLG 165.000 vermeerderd met de daarover gekweekte rente aan eisers op hun eerste verzoek zal terugbetalen, of – indien [betrokkene 1] in het gelijk zal worden gesteld – de Stichting aan [betrokkene 1] zal kunnen uitbetalen het bedrag waarop [betrokkene 1] krachtens voornoemde uitspraak aanspraak kan maken.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Slis-Stroom. [5] Een rekening van een stichting derdengelden advocatuur wordt, zoals ook in deze zaak, gehouden door de stichting in eigen naam zonder vermelding van een hoedanigheid in de tenaamstelling. Deze rekening kan dan ook niet – op de grondslag dat de rekeninghouder een stichting derdengelden is – worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening, aldus het onderdeel.
ProCall-arrest van 13 juni 2003 [6] onduidelijkheid laat bestaan over de vraag of een derdengeldrekening van een stichting derdengelden van een advocatenkantoor niettemin – en ongeacht de tenaamstelling ervan – moet worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening of daaraan moet worden gelijkgesteld. Bij een derdengeldrekening van een stichting derdengelden bestaat geen of minder behoefte aan de aanvaarding van een kwaliteitsrekening. Het onderdeel voert aan dat in de literatuur wordt betoogd dat art. 25 Wna Pro niet (analoog) van toepassing is op een derdengeldrekening van een stichting derdengelden en dat deze rekening geen kwaliteitsrekening is. Bovendien zou het aanmerken van een algemene bankrekening van een stichting derdengelden van een advocaat, zoals de bankrekening van de Stichting in deze zaak, als een algemene kwaliteitsrekening niet leiden tot een betere bescherming van de belanghebbenden in het geval van een faillissement van een stichting derdengelden. Het onderdeel wijst erop dat los van elke kwalificatie van een derdengeldrekening van de stichting derdengelden een hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat van de betrokken advocaten en hun kantoor voor tekorten. [7]
Slis-Stroom. Hoewel de Hoge Raad in die zaak een vordering tot uitkering van een bedrag dat was gestort op de rekening van een vervolgens gefailleerde notaris buiten het faillissement om heeft afgewezen, heeft de Hoge Raad, aan het slot van rov. 3.2 in een
obiter dictumhet volgende overwogen:
ProCall-arrest volgt dat een factureer- en incassodienst geen mogelijkheid heeft tot het aanhouden van een kwaliteitsrekening, maar dat de Hoge Raad die mogelijkheid wel gewenst heeft geacht voor houders van derdengelden die behoren tot een beroepsgroep die een maatschappelijke vertrouwenspositie bekleden zoals notarissen, deurwaarders, advocaten en accountants (rov. 3.3.4 van het genoemde arrest). De Hoge Raad heeft overwogen dat terughoudendheid dient te worden betracht bij de aanvaarding van een kwaliteitsrekening, gezien de rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer. Met de aanvaarding van een kwaliteitsrekening wordt immers een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt verankerd in art. 3:276 BW Pro dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden tegenover al zijn schuldeisers. De Hoge Raad wijst erop dat door de wetgever is benadrukt dat voor het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt goede gronden zijn vereist, welke voor de in de wet geregelde gevallen van de notaris en de gerechtsdeurwaarder gevonden kunnen worden ‘in de bescherming van het publiek dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat zij als degenen wier wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hun door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden te houden van hun eigen vermogen’. De Hoge Raad overweegt dat wat derdengelden betreft de beroepsgroepen van advocaten en accountants in een vergelijkbare vertrouwenspositie verkeren en dat de overeenkomstige toepassing van art. 25 Wna Pro en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet mogelijk is (rov. 3.3.4, slot):
ProCall-arrest heeft geoordeeld, dat overeenkomstige toepassing van art. 25 Wna Pro en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet wenselijk is in het geval van een rekening van een stichting beheer derdengelden in de advocatuur. Dit sluit tevens aan bij de door de wetgever genoemde wenselijkheid van de uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling. [20]
Koren q.q./Tekstra q.q. [22] , waarin voor de bijzondere notariële kwaliteitsrekening is aangenomen dat de gezamenlijke rechthebbenden deelgenoot zijn in een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW Pro, hetgeen is herhaald in het arrest
Belastingdienst Amsterdam. [23] Het onderdeel voert aan dat in de literatuur breed wordt gedragen dat in dergelijke gevallen geen sprake kan zijn van een gemeenschap bij gebreke van een gezamenlijke gerechtigdheid, maar van een alternatieve enkelvoudige en dus (voorwaardelijke) volledige gerechtigdheid. Volgens het onderdeel kunnen de gevallen die in de beide genoemde arresten aan de orde waren niet op één lijn worden gesteld met een geval als het onderhavige, waarin niet vanaf het begin duidelijk was dat er maar één rechthebbende kon zijn op de vordering van de Stichting op de bank. Vanaf het moment dat het bedrag werd gestort op de derdengeldrekening was duidelijk dat er slechts één gerechtigde kon zijn (afhankelijk van het antwoord op de vraag of de Ontvanger bevoegd was tot de door hem genomen verhaalsmaatregelen), maar dat onduidelijk was of dit [betrokkene 1] of de Ontvanger was. Dit werd pas duidelijk met het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2002. Er is daarom geen sprake van een gemeenschap, aldus het onderdeel.
Koren q.q./Tekstra q.q.aansluiting gezocht bij de wettelijke regeling van de algemene kwaliteitsrekening in art. 25 Wna Pro en geoordeeld dat ook in het geval van een speciale kwaliteitsrekening de belanghebbenden deelgenoten zijn in een gemeenschap. In die zaak was sprake van twee voorwaardelijk gerechtigden tot het saldo van de rekening: een onder ontbindende en een onder de daarmee corresponderende opschortende voorwaarde. Volgens de Hoge Raad bestaat ook dan een gemeenschap in de zin van art. 3:166 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad heeft hierover in rov. 3.3 het volgende overwogen:
Koren q.q./Tekstra q.q.zijn geuit over het bestaan van een gemeenschap in het geval van een bijzondere notariële kwaliteitsrekening ten behoeve van twee voorwaardelijk belanghebbenden, kunnen niet worden ingebracht in het geval van een algemene notariële kwaliteitsrekening. [27] In het onderhavige geval stuit het aanvaarden van een gemeenschap derhalve ook niet op deze bezwaren, omdat het gaat om een stichting derdengelden, welke in het leven is geroepen voor het bewaren van gelden van een veelvoud aan cliënten en andere derden. In dat geval is sprake van meerdere, al dan niet voorwaardelijk belanghebbenden. Overeenkomstige toepassing van art. 25 Wna Pro brengt dan met zich dat degenen ten behoeve van wie de rekening wordt aangehouden in dat geval gezamenlijk rechthebbenden zijn op de vordering jegens de bank, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Er bestaat dus een gezamenlijke gerechtigdheid tot hetzelfde recht, hetgeen is vereist voor het bestaan van een gemeenschap. [28]
derde onderdeel, dat in vier subonderdelen uiteenvalt, is gericht tegen rov. 3.6 van het bestreden arrest, waarin het volgende is overwogen: