Conclusie
Beoordeling verweren
Feiten en omstandigheden’ is opgenomen, acht het hof bewezen dat door [verdachte] een resultaat van een werkzaamheid, zijnde een analyseresultaat van een indicatieve partijkeuring door [C], aan de gemeente Son en Breugel ter beschikking is gesteld, terwijl [verdachte] redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dat wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschafte van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de grond.
zie de Nota van Toelichting bij artikel 9 Bub Pro Staatsblad 2006, 308).
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft Pro voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11, eerste lid, 18, tweede lid, of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een halfjaar na dat tijdstip is begonnen met de toepassing.”
eerste middelstelt zich op het standpunt dat ook wanneer de voorgeschreven protocollen niet zijn gevolgd dat niet onmiddellijk moet leiden tot de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht en geen betrouwbaar beeld verschaft. Dat het derde onderzoeksrapport van [A] te laat ter beschikking is gekomen en dat het rapport van [C] daarmee geen rekening heeft kunnen houden maakt dit niet anders, omdat zo'n gang van zaken niet ongebruikelijk is en alsnog beoordeeld kan worden of het nagezonden rapport aanleiding geeft voor het bijstellen van de conclusies of het opnieuw verrichten van de nodige onderzoekshandelingen, met inachtneming van de nadien ter beschikking gekomen gegevens.
tweede middelklaagt dat het oordeel van het hof dat verdachte redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het rapport van [C] geen betrouwbaar beeld zou verschaffen grondslag ontbeert. Het hof heeft niets vastgesteld over enigerlei wetenschap bij medewerkers van verdachte.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte artikel 16 van Pro het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) heeft toegepast en aldus de artikelen 11 en 78 van het Bouwstoffenbesluit (BSB), meer bepaald de daarin opgenomen overgangsregeling, heeft miskend.
vierde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase omdat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Op 14 december 2015 is het beroep in cassatie ingesteld en de stukken zijn eerst op 14 juni 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.