De verklaringen van [medeverdachte 2] zijn weinig geloofwaardig.
Allereerst verklaart hij wisselend en tegenstrijdig, niet alleen over de Kamer van Koophandel.
Zo verklaart hij aanvankelijk dat hij 3 keer bij brugrestaurant La Place is geweest, 1 keer met [betrokkene 9] en 2 keer met [betrokkene 10]. Hij is daar zeer stellig over.
Nadat hem de foto van cliënt is getoond verklaart hij dat hij ook met cliënt bij La Place is geweest.
Nu uit niets blijkt dat [betrokkene 10] of [betrokkene 9] hier bij was, is er kennelijk nog een 4e keer geweest.
Tevens verklaart hij dat hij [A] alleen maar 2 keer op de markt heeft gezien. Later verklaart hij echter dat [A] er ook bij was toen ze naar de Kamer van Koophandel gingen. Ook zou zij in Rotterdam zijn geweest.
Ook over de aanwezigheid van [medeverdachte 3] bij La Place verklaart hij tegenstrijdig. Eerst zou [medeverdachte 3] er wel geweest zijn, daarna toch niet en toen toch weer wel.
[medeverdachte 2] liegt zelfs over zijn woonadres.
Tevens blijkt dat hij wel degelijk weet waar het om ging bij de Kamer van Koophandel.
Als de verbalisanten hem vragen naar zijn bezoek aan de Kamer van Koophandel verspreekt hij zich op enig moment door te verklaren dat het iets was met een Spaanse groothandel.
Als hij geconfronteerd wordt met de verklaring van [betrokkene 6] over het bezoek aan de Kamer van Koophandel zegt hij: D
at vertel ik wel tegen de advocaat. Dat gaat niet over een bedrijf.
Als de verhoorders hem vragen of er een kern van waarheid inzit, zegt hij:
Er is een kern, maar ik verklaar verder bij de rechtbank.
En inmiddels weten we dat ook dit laatste een leugen is. [medeverdachte 2] is immers 2 keer weggebleven bij de rechter-commissaris. Hij is er nu ook niet. Toen hij verklaarde op de Rechtbank heeft hij geen openheid van zaken gegeven over zijn bezoek aan de KvK. Na de schrobbering van de toenmalige ovj mevrouw Degeling, die er kennelijk vanuit gaat dat anders verklaren dan bij de politie per definitie meineed oplevert, heeft [medeverdachte 2] überhaupt niets meer verklaard.
Duidelijk is wel dat hij meer weet van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel dan hij verklaart. Dat hij in de auto is blijven zitten, dat cliënt erachter zit en dat hij niet weet wat cliënt daar gedaan heeft, is dan ook niet geloofwaardig.
Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 6] komt ook duidelijk naar voren dat het juist [medeverdachte 2] was die met [betrokkene 6] en [A] naar de Kamer van Koophandel is geweest.
[medeverdachte 2] wil dat vervolgens cliënt in de schoenen schuiven. En zo is het ook met het internetbankieren.
[medeverdachte 2] zou gedacht hebben dat sprake was van een legale transactie. Hij zou niet geweten hebben waar het om ging. Hij is erin betrokken door cliënt en wist pas dat het mis was toen hij [betrokkene 2] zag.
Als het al zo zou zijn dat cliënt [medeverdachte 2] had benaderd dan is volstrekt ongeloofwaardig dat [medeverdachte 2] niet doorhad dat het om iets strafbaars ging. Hij verklaart immers dat voor het ter beschikking stellen van de rekening een vergoeding van € 10.000,- werd betaald. Een dergelijke vergoeding is zo buitensporig dat iedereen begrijpt dat het niet helemaal zuiver is.
De vraag rijst ook waarom [medeverdachte 2] zijn eigen rekening niet ter beschikking heeft gesteld. Als hij werkelijk dacht dat het om een legale transactie ging, zou dat makkelijk verdiend zijn. [medeverdachte 2] is nooit in de positie geweest om een dergelijk bedrag makkelijk aan een ander te gunnen.
Het kan derhalve niet anders of [medeverdachte 2] wist dondersgoed dat hier iets niet klopte. [betrokkene 2] verklaart ook dat [medeverdachte 2] dat wist. Diens verklaring is op dat punt een stuk geloofwaardiger dan die van [medeverdachte 2].
Dat [medeverdachte 2], zoals hij verklaart, door cliënt betrokken is geraakt in deze zaak is evenmin geloofwaardig.
Dat blijkt duidelijk als we letten op de relaties tussen de verschillende verdachten in deze zaak.
De gijzeling en diefstal van de pinpas enerzijds en de pogingen om geld over te boeken en te pinnen anderzijds zijn verricht door 2 verschillende groepen.
De eerste groep zou bestaan hebben uit [medeverdachte 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De tweede groep uit [betrokkene 2], [medeverdachte 2], [betrokkene 6], [A], [betrokkene 8] en cliënt.
De verbindende schakel tussen beide groepen is dus [betrokkene 2], zij het dat hij bij La Place vergezeld werd door [medeverdachte 3] en [betrokkene 5]. [betrokkene 2] kent zowel de gijzelnemers als [medeverdachte 2] en cliënt.
De tweede groep was alleen nodig voor de katvangers. Die zijn geleverd door [medeverdachte 2]. Dat cliënt daar nog tussen heeft gezeten, is niet waarschijnlijk.
Cliënt kende [betrokkene 2] door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] kenden elkaar al heel lang. Het is dan veel waarschijnlijker dat [betrokkene 2] [medeverdachte 2] benadert dan cliënt. Voor zoiets benader je toch niet iemand die je pas net kent?
Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] een groot netwerk heeft. Het is dus veel aannemelijker dat hij een katvanger kan regelen dan dat cliënt dat kan.
Door te verklaren dat hij [betrokkene 2] voor en na 5 juni 2007 niet heeft gezien en dat hij schrok toen hij hem op 5 juni 2007 zag suggereert [medeverdachte 2] dat hij liever geen contact had met [betrokkene 2].
Dit wordt weersproken door de inhoud van andere bewijsmiddelen. Zo zijn er de verkeersgegevens waaruit volgt dat [medeverdachte 2] in de periode van 31 mei 2007 tot en met 6 juni 2007 15 keer heeft gebeld met [betrokkene 2].
Verder verklaart [medeverdachte 2] dat hij [medeverdachte 3] kent via [betrokkene 2].
Als [medeverdachte 2] inderdaad liever geen contact heeft met [betrokkene 2] valt toch moeilijk te verklaren dat hij hem in 1 week 15 keer belt, mensen aan hem voorstelt en kennis maakt met zijn vrienden?
De verdediging houdt het erop dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] regelmatig contact hadden, zowel telefonisch als persoonlijk. En dan is veel aannemelijker dat [betrokkene 2] [medeverdachte 2] heeft benaderd dan cliënt.
Waarom zouden [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] cliënt er dan nog bij betrekken? Ze hadden hem niet nodig. Maar het kost wel opbrengst (alle betrokkenen willen immers een deel van de buit) en verhoogt het risico om gepakt te worden (hoe meer mensen op de hoogte zijn, hoe groter kans op ontdekking is).
Dat ze cliënt niet nodig hadden, blijkt uit het feit dat er al pogingen tot internetbankieren plaatsvonden voordat cliënt ter plaatse was.
Het is ook niet zo dat cliënt bijzondere kennis heeft van computers waarvan [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] gebruik wilden maken.
[medeverdachte 2] zat zelf in de ICT. Hij weet veel meer van computers dan cliënt. [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] hebben ook vrij veel kennis van computers. Waarom zou cliënt dan naar La Place moeten om te internetbankieren.
Cliënt was ook niet nodig voor de katvangers. Dat waren immers bekenden van [medeverdachte 2].
Dat [betrokkene 2] en cliënt een afspraak hadden bij La Place wordt ook niet bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Cliënt kan zich niet meer herinneren [betrokkene 2] ooit bij La Place te hebben gezien. [betrokkene 2] verklaart [medeverdachte 2] daar te hebben ontmoet op 5 juni 2007. Uit niets blijkt dat hij cliënt daar toen ook heeft gezien.
[betrokkene 2] en cliënt hebben beiden geen reden hierover te liegen.
Beiden hebben toegegeven elkaar te kennen. Beiden geven ook toe dat zij op 5 juni 2007 (mogelijk) bij La Place aan de A4 geweest zijn. Voor hun procesposities maakt het niets uit of zij elkaar daar wel of niet gezien hebben.
De meest voor de hand liggende verklaring voor het feit dat zij niet verklaren elkaar daar gezien te hebben, is dan dat zij elkaar daar niet gezien hebben.
Getuige [betrokkene 11] verklaart bij de rechter-commissaris over [medeverdachte 2]:
[medeverdachte 2] is een oplichter en als de politie komt, begint hij te halen en verraadt iedereen. Ik ben in een strafrechtelijk onderzoek betrokken geweest samen met [medeverdachte 2]. In die zaak is toen een meineedprocedure tegen [medeverdachte 2] gevoerd. Uiteindelijk bleek dat hij over mij had gelogen en heb ik ook nog een schadevergoeding gekregen.
[medeverdachte 2] heeft kennelijk eerder geprobeerd iemand erbij te lappen. Nu probeert hij dat met cliënt.
Al met al zijn de verklaringen van [medeverdachte 2] weinig geloofwaardig. Zijn optreden hier op zitting gisteren was daarvan een schitterend voorbeeld.”