Conclusie
middelklaagt dat de met betrekking tot feit 2 bewezenverklaarde voorbedachte raad niet in de bewijsmiddelen besloten ligt, althans dat het hof de voorbedachte raad onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
- met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] door vier, kogels in het lichaam is geraakt, en
- [slachtoffer] en de auto waarin [slachtoffer] zich bevond heeft besprenkeld en overgoten met benzine en vervolgens open vuur in aanraking heeft gebracht met die benzine, ten gevolge waarvan [slachtoffer] en die auto vlam hebben gevat,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
- het lossen van een aantal schoten door meerdere personen;
- het afleggen van een afstand van een tiental meters naar de ML;
- het pakken van een jerrycan uit die ML;
- het afleggen van een tiental meters terug naar de auto (Audi) waarin de aangever zich bevond;
- het met benzine overgieten van de aangever;
- het in de Audi gieten van benzine;
- het met benzine overgieten van de Audi;
- het trekken van een spoor benzine naar achteren (het hof begrijpt achter de Audi);
- het maken van vuur;
- het in brand steken van de benzine.
Het handelen van de verdachte en de medeverdachten was bovendien naar uiterlijke verschijningsvormen zozeer gericht op de dood van de aangever dat het hof daaruit afleidt dat zij zich daaromtrent hebben beraden.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerste tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. [1]