Conclusie
opzetheling”, “
witwassen” en “
medeplegen witwassen” en 2. “
medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken” veroordeeld tot een geldboete van vijftienduizend euro, subsidiair honderdtien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, volgens de in het arrest nader bepaalde maatstaf. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen.
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de inzet van twee buitenlandse opsporingsambtenaren onrechtmatig is geweest op de grond dat zij hebben opgetreden zonder een bevel tot infiltratie ex art. 126h Sv. Blijkens de toelichting keert het middel zich tegen ’s hofs oordeel dat in plaats van infiltratie in de zin van art. 126h Sv, sprake is geweest van pseudokoop als omschreven in art. 126i Sv.
het deelnemen of medewerking verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs vermoed kan worden misdrijven worden beraamd of gepleegd”, terwijl de pseudokoper als (potentiële) afnemer van een (verboden) goed een zekere afstand houdt tegenover de verdachte. De pseudokoper neemt niet noodzakelijkerwijs deel aan en dringt niet noodzakelijkerwijs binnen in een groep waarbinnen misdrijven worden gepleegd. [5] Pseudokoop betreft bovendien in beginsel een concreet omschreven handeling met een eenmalig karakter. [6] De actie richt zich op personen die alleen opereren of die weliswaar betrokken zijn bij een georganiseerd crimineel verband, maar waarbij het contact van buitenaf wordt gelegd.
achterafte bepalen dat het regiem inzake pseudokoop van toepassing is, terwijl het openbaar ministerie “
van mening is dat sprake is geweest van infiltratie als bedoeld in art. 126h Sv”, berust dat betoog op een misvatting. Het hof heeft immers overwogen dat politie en justitie door over ‘infiltranten’ te spreken de indruk
zoudenkunnen hebben gewekt dat het om infiltratie als bedoeld in art. 126h Sv gaat, maar dat daarvan in werkelijkheid geen sprake is. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk in het licht van het door het openbaar ministerie zelf voor pseudokoop afgegeven bevel. Voorts vindt dat oordeel steun in de omstandigheid dat opsporingsambtenaar [betrokkene 2] in de door het hof genoemde processen-verbaal (dossier p. 309 t/m 335) [11] volledigheidshalve steeds is aangeduid als “
een opgeleide infiltrant die ten behoeve van deze actie als zodanig geregistreerd is bij het Team Operationele Ondersteuning van de D.S.R.T. van het Korps Landelijke Politie Diensten te Driebergen”. Zodoende heeft het openbaar ministerie m.i. met de term “
infiltrant” dan ook geenszins bedoeld te verwijzen naar een infiltratietraject in de onderhavige zaak, maar naar de persoon van opsporingsambtenaar ‘ [betrokkene 2] ’, tevens opgeleid als infiltrant, die bij deze actie enkel als pseudokoper is ingezet.
tweede middelkomt met diverse klachten op tegen de bewezenverklaring van de onder 1, eerste cumulatief variant a, bewezen verklaarde “
opzetheling”, het onder 1, tweede cumulatief eerste variant 1e en 2e periode, bewezen verklaarde “
(medeplegen) van witwassen” alsmede tegen het onder 2 primair bewezen verklaarde “
medeplegen van een poging tot het opzettelijk uit de opbrengst van enig misdrijf verkregen goed voordeel trekken”.
“1.
variant a:
1e variant:
1e periode:
O 2e periode:
2.
het voeren van overleg/besprekingen met [betrokkene 1] over het aanbieden van deze schilderijen aan The International Art & Antique Loss Register Ltd en/of Lloyd's of London en/of een andere verzekeringsmaatschappij en aan [betrokkene 2] (die zich voordeed als vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij) ten behoeve van een beloning en
het maken en verstrekken van een of meerdere foto’s van een of meer van deze schilderijen aan die [betrokkene 1] (om de authenticiteit vast te stellen) en
het spreken met die [betrokkene 2] en/of die [betrokkene 1] over de beloning (van 10% van de waarde van de schilderijen) en
schilderijen laten taxeren/bekijken door [betrokkene 2] en een derde (ten behoeve van een verzekeringsmaatschappij), teneinde een geldbedrag/beloning aan te nemen/te ontvangen,
geweest. [verdachte] heeft de schilderijen daarna lange tijd onder zich gehad met de wetenschap van de oplichting van de verzekeringsmaatschappij door [betrokkene 3] . De aanwezigheid van de schilderijen bij [verdachte] stond aldus van meet af aan in zodanig direct causaal verband met de verzekeringsoplichting dat gezegd kan worden dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren.
medeplegenvan witwassen (‘de herkomst en de vindplaats verbergen en/of verhullen’) van de acht schilderijen in de periode van 1 november 2008 tot en met 5 maart 2009 (wat betreft onderdelen (2) en (3): art. 420bis, eerste lid, onder a, Sr);
ten tijde van het voorhanden krijgen van die schilderijen wist dat het door misdrijf verkregen schilderijen betrof”. Wat betreft de onderdelen onder (2) en (3) is bewezen verklaard dat de verdachte (en zijn medeverdachten)
“wist(en) dat die schilderijen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren van enig misdrijf”.In onderdeel (4) bestrijkt het bewezen verklaarde opzet van de verdachte en zijn medeverdachten onder meer de omstandigheid dat de schilderijen ‘door misdrijf waren verkregen’. Kortom, toegesneden op de desbetreffende delictsbestanddelen oordeelt het hof telkens bewezen dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de acht schilderijen door misdrijf waren verkregen c.q. van (of: uit) enig misdrijf afkomstig waren.
Bij de toelichting van den vijfden titel van het eerste boek is reeds niet een enkel woord aangewezen, dat de begunstiging, evenals alle andere feiten die niet vóór of bij maarna de voltooijing van eene strafbare handelingverrigt worden, geenszins als vorm van deelneming, maar, voorzooveel noodig, als eigen misdrijf te beschouwen is.” [15]
b. De eigen aard van het witwassen en het belang van een aparte aanpak
voorafgaand(grond)misdrijf. [18]
dat aan de opzetheling ten tijde van het voorhanden krijgen van de betreffende schilderijen nog geen sprake is geweest van een daaraan voorafgaand gepleegd misdrijf” is het hof ten onrechte tot de bewezen verklaarde opzetheling gekomen, aldus de steller van het middel. Zodoende werpt het middel — in de kern bezien — de vraag op of de in de bewezenverklaring genoemde schilderijen ‘door misdrijf verkregen goederen’ betreffen.
zodanig causaal verband” stond met de aanwezigheid van de schilderijen bij [verdachte] thuis, dat gezegd kan worden dat de schilderijen “
van misdrijf afkomstig waren”. Daarbij oordeelde het hof “
dat het niet relevant is dat de verzekeringsfraude pas is gepleegd (kort) na de overdracht van de schilderijen aan [verdachte] en evenmin relevant is dat strikt genomen slechts de schadeuitkering het product daarvan is.”
deeigendom van de schilderijen
nietheeft prijsgegeven, het volgende. Voor een helder zicht op de toedracht moet scherp onderscheid worden gemaakt tussen twee mogelijkheden:
ten gunste vaneen ander individu. Indien de eigendom echter
nietten gunste van een derde is prijsgegeven, moet worden aangenomen dat de rechthebbende eenvoudigweg afstand heeft gedaan van het voorwerp. De toedracht onder (2) doet in dat geval een ‘res nullius’ c.q. een ‘res derelicta’ ontstaan: een roerende zaak die niemand toebehoort en die door inbezitneming op de voet van (thans) art. 5:4 BW Pro de eigendom wordt van de vinder.
nietafkomstig zijn van de door [betrokkene 3] gepleegde verzekeringsfraude. In dit verband komt het middel ook op tegen de verwerping van het verweer dat vanwege de bewezen verklaarde opzetheling (een eigen misdrijf van de verdachte) ten opzichte van het witwassen een kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Het hof heeft dit verweer, met weglating van verwijzingen, als volgt verworpen:
eigenmisdrijf heeft gepleegd, namelijk opzetheling, de kwalificatie van witwassen niet meer uit. In zoverre getuigt het oordeel van het hof geenszins van een onjuiste rechtsopvatting en faalt de klacht.
medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”.
gepoogd is voordeel te trekken uit deopbrengstvan de schilderijen”. Ik begrijp de klacht zo dat uit de bewezenverklaring van het hof enkel lijkt te volgen dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben willen profiteren van de schilderijen door deze schilderijen zelf te helen als bedoeld in art. 416,
eerstelid, onder a of b Sr en zij derhalve geen begunstiging hebben nagestreefd op basis van de
opbrengstvan bijvoorbeeld reeds te gelde gemaakte schilderijen als bedoeld in art. 416,
tweedelid, Sr. Reden waarom de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
ten tijde van het voorhanden krijgen van de betreffende schilderijen nog geen sprake is geweest van een daaraan voorafgaand gepleegd misdrijf”. Aldus bezien stel ik mij, in lijn met de voorgaande beschouwingen, op het standpunt dat de bestreden bewezenverklaring en de motivering ervan ook wat betreft onderdeel (4) niet zonder meer begrijpelijk zijn: de schilderijen zijn immers niet ‘door misdrijf verkregen’.
de opbrengstvan dat goed. [23] Onder opbrengst kan voorts worden verstaan hetgeen het door misdrijf verkregen goed opbrengt aan hem die het aldus verkregen heeft, [24] waarbij het bezit van de opbrengst reeds voordeel oplevert. [25]