Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
25 november 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het voorhanden hebben en overdragen van geldbedragen die volgens het hof afkomstig waren uit enig misdrijf, in het kader van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor (hawala-bankieren). Het hof oordeelde dat het geld dat via deze transacties werd ontvangen, als afkomstig uit een misdrijf moest worden beschouwd, waardoor de handelingen als witwassen kwalificeerden.
De verdediging stelde dat het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor weliswaar strafbaar is, maar niet automatisch betekent dat het geld afkomstig is uit een misdrijf en dat er geen bewijs was dat het geld uit criminele activiteiten kwam. De Hoge Raad stelde dat vermogensbestanddelen alleen als afkomstig uit een misdrijf kunnen worden aangemerkt indien dat misdrijf voorafgaand aan het voorhanden hebben en overdragen van die vermogensbestanddelen is gepleegd.
De bewezenverklaring zag echter niet op opbrengsten van het zonder vergunning voeren van het geldtransactiekantoor, waardoor het oordeel van het hof een onjuiste rechtsopvatting was. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.