Conclusie
middelklaagt over het bewezen verklaarde dulden van ontuchtige handelingen.
middelfaalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
Parket bij de Hoge Raad
Op 14 april 2014 wreef de verdachte onverhoeds over de blote nek en onder de kleding over de rug van een minderjarig slachtoffer, waarbij sprake was van een zekere ongelijkheid tussen de verdachte, een meerderjarige en functioneel rolmodel, en het slachtoffer. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en een taakstraf opgelegd.
De verdediging stelde dat het wrijven niet seksueel was en dat er geen sprake was van dwang of feitelijkheid. De Hoge Raad bevestigt echter dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het wrijven over de blote huid ontuchtig was, mede door de context, de aard van de aanraking en de verhouding tussen partijen. Ook het gedrag van de verdachte na het incident, zoals excuses via WhatsApp, ondersteunde dit oordeel.
De Hoge Raad benadrukt dat ontuchtige handelingen een seksuele aard moeten hebben en in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De seksuele intentie van de verdachte is niet altijd doorslaggevend, vooral als de uiterlijke handeling een seksuele strekking heeft. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.