Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2006, 272 (Inno/Sluis). [13] Daarin oordeelde de Hoge Raad dat iedere rechtsvordering en ieder verweer van de koper dat feitelijk gegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst onder de werking valt van art. 7:23 lid 2 BW Pro, ook als op deze grondslag (tevens) een vordering uit onrechtmatige daad is gebaseerd. De vraag is of uit het arrest Inno/Sluis mag worden afgeleid dat ook een onrechtmatige daadsvordering die gebaseerd is op bedrog onder de werking van art. 7:23 lid 2 BW Pro valt.
Tweede lid. Uit de aanhef van lid 2 volgt dat het voorschrift van lid 1 van belang is voor iedere vordering en ieder verweer van de koper gegrond op het niet beantwoorden van het afgeleverde aan de overeenkomst, dus ook voor een verweer of vordering op grond van dwaling. De grens tussen dwaling en wanprestatie is in de praktijk vaak moeilijk te trekken.
Derde lid.Indien de koper de afwijking niet ontdekt heeft en derhalve niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kennis heeft gegeven, omdat de verkoper deze afwijking desbewust verborgen heeft gehouden of opzettelijke nagelaten heeft deze mede te delen, gaat het recht van de koper niet verloren. Hetzelfde geldt als de verkoper door een of andere handeling, hetzij door de koper te bedriegen, hetzij door hem te bedreigen, de koper opzettelijk heeft verhinderd zijn vordering in te stellen of zijn verweer te voeren binnen de in lid 2 bepaalde termijn.
De voorafgaande leden beperken de rechten van de koper niet, indien hij deze niet heeft kunnen uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.” [17] Deze tekst is in het ‘Voorontwerp van een wettelijke regeling betreffende consumentenkoop’ gewijzigd in:
“De termijn loopt niet zolang de koper zijn rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.” [18] Daarnaast is de oorspronkelijke tweede volzin van het eerste lid van art. 7:23 BW Pro in de loop van het wetgevingsproces vervangen door:
“Blijkt echter aan een zaak een eigenschap te ontbreken die deze volgens de verkoper bezat, of heeft de afwijking betrekking op feiten die hij kende of behoorde te kennen doch die hij niet heeft meegedeeld, dan moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden.”Uit deze wijzigingen wordt afgeleid dat de wetgever vorderingen op grond van bedrog onder de werking van art. 7:23 lid 1 BW Pro heeft willen brengen. De tweede volzin van lid 1 ziet immers onder meer op opzettelijk misleidende mededelingen van de verkoper over de zaak en het bewust verzwijgen van feiten met betrekking tot de zaak die door de verkoper aan de koper hadden moeten worden medegedeeld, wat bedrog door de verkoper in de zin van art. 3:44 BW Pro inhoudt. [19] Het gevolg van deze dubieuze praktijken van de verkoper is volgens de tweede volzin van lid 1 dat de klachttermijn in dat geval pas een aanvang neemt na de ontdekking van het feit dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst voldoet, waarna de koper alsnog binnen bekwame tijd na de ontdekking van de non-conformiteit bij de verkoper dient te klagen. [20] Daarnaast ziet het derde lid van art. 7:23 BW Pro (nog uitsluitend) op de verjaringstermijn van het tweede lid, en bepaalt het dat de verjaringstermijn niet loopt zolang de koper zijn rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper. [21] Uit de formulering van het derde lid volgt dat dit eveneens ziet op gevallen van bedrog, zodat ook op grond hiervan zou kunnen worden aangenomen dat de wetgever bedrog onder de werking van art. 7:23 BW Pro heeft willen brengen. [22]
MvA II Parl. Gesch. Boek 71990, p.134;
VVII Parl. Gesch. Boek 71990, p. 150). Daarnaast volgt uit de Memorie van Antwoord (
MvA I,
Parl. Gesch. Boek 71990, p. 156) en de Memorie van Toelichting bij de verjaringsregeling voor rechtsvorderingen van Boek 3 BW (
MvT. Parl. Gesch. Boek 31990, p. 1410), dat de wetgever voor de verjaring van rechtsvorderingen bij koop met art. 7:23 lid 2 BW Pro een uniforme regeling heeft willen treffen voor alle rechtsvorderingen, waarbij voor rechtsvorderingen uit hoofde van bedrog kennelijk geen uitzondering is gemaakt. Ook het door de minister in de Memorie van Antwoord (
MvA II Parl. Gesch. Boek 71990, p.152) in het kader van samenloop van rechtsvorderingen op grond van dwaling en non-conformiteit aangevoerde argument, dat het ongewenst is dat een koper die geen ontbinding meer op grond van wanprestatie zou kunnen bewerkstelligen op grond van dezelfde klacht, langs de weg van vernietiging (op grond van dwaling), tot hetzelfde resultaat zou kunnen komen, lijkt mij evenzeer te gelden in geval de vordering is gebaseerd op bedrog.
NJ2006, 272 (Inno/Sluis) oordeelde de Hoge Raad dat een rechtsvordering op grond van onrechtmatige daad onder de reikwijdte van art. 7:23 lid 2 BW Pro valt. Daartoe overwoog de Hoge Raad als volgt: [31]
NJ2008, 552 (Ploum/Smeets): [32]
NJ2006, 272 geoordeeld dat de hier bedoelde bepalingen gelden voor iedere rechtsvordering van de koper – die en ieder verweer van de koper dat – feitelijk gegrond is op het niet-beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst, ook indien door de koper op deze grondslag een rechtsvordering uit onrechtmatige daad wordt gebaseerd. Hetzelfde moet worden aangenomen voor de regel van art. 7:23 lid 1 en Pro voor art. 6:89, waarvan art. 7:23 een Pro precisering vormt.”
NJ2008, 606 (Pouw/Visser): [33]
NJ2008, 606 (Pouw/Visser) kan worden afgeleid dat, nu een beroep op dwaling onder de werkingssfeer van art. 7:23 lid 1 BW Pro valt, ook bedrog door deze bepaling wordt getroffen. [44] Zij is het hiermee niet eens. Castermans en De Graaff opperen –ervan uitgaande dat bedrog onder art. 7:23 BW Pro valt de mogelijkheid het gedrag van de verkoper te toetsen aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die met zich mee zouden brengen dat een beroep op art. 7:23 BW Pro onaanvaardbaar is in het geval de koper door de verkoper is bedrogen. De redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW Pro kunnen in dat geval de scherpe kanten van de in de rechtspraak gekozen lijn afslijpen. [45] Op grond van eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad volgens Castermans en De Graaff voldoende ruimte gelaten om in concrete gevallen te derogeren aan verval- en verjaringstermijnen. [46]
Onderdeel 1.Afaalt.
NJ2006, 272 (Inno/Sluis), HR 29 juni 2007,
NJ2008, 606 (Pouw/Visser) en HR 23 november 2007,
NJ2008, 552 (Ploum/Smeets) volgt dat voor toepassing van art. 7:23 lid 2 BW Pro van belang is dat de betreffende rechtsvordering gebaseerd is op feiten die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dat het feitencomplex bij een vordering uit onrechtmatige daad gebaseerd op bedrog of dwaling ruimer is en meer feiten omvat dan strikt noodzakelijk is voor het instellen van een vordering uit hoofde van non-conformiteit, doet m.i. niet af aan de mogelijkheid dat ook dan art. 7:23 lid 2 BW Pro wordt ontweken.
onderdeel 1.Bomdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.