Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
In conventie en in reconventie
3.Het geschil
In conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
nietdat de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ook daadwerkelijk verrekend is. De door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevorderde voorziening is vervolgens afgewezen omdat er onzekerheid bestaat (zie 4.4. van dit vonnis) of de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in een bodemprocedure toegewezen zal worden. Als partijen tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming zouden hebben bereikt over het verreken van de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met die van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zou de rechtbank in haar vonnis tot een ander oordeel zijn gekomen. Nu het zijdens [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] blijft bij een ‘blote’ stelling is er - mede gezien het door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevoerde verweer en hiervoor overwogene - geen plaats voor een bewijsopdracht.
5.De beslissing
15 januari 2020(vier weken na datum vonnis) voor uitlating door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,
15 januari 2020(4 weken na datum vonnis) voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste zes maanden vanaf
1 februari 2020aan de zijde van beide partijen,
15 januari 2020in het geding moeten brengen,