Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) [verweerster] is in het kader van haar doelstelling, gericht op het behoud van architectonisch of historisch belangrijke gebouwen in Nederland, sinds 1962 eigenares van het pand [a-straat 2] te Amsterdam, het middelste van drie in 1644 door een toenmalige speculant voor woondoeleinden gerealiseerde panden (nrs. [1, 2 en 3] ). Zij heeft dit toen in (als hotel) verhuurde staat gekocht, met de bedoeling, zoals zij ook ten aanzien van haar overige bezit nastreeft, dit na ontmanteling en restauratie waarbij zo veel mogelijk de oorspronkelijke staat wordt hersteld, terug te brengen naar de oorspronkelijke bestemming, in dit geval dus wonen.
- ii) Vanaf 1 oktober 1973 verhuurde [verweerster] het pand aan wijlen [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1934 en intussen overleden), die door indeplaatsstelling huurder was geworden en in het pand, samen met de panden [a-straat 4 en 5] , waarin hij reeds een hotelbedrijf dreef, een hotel heeft geëxploiteerd onder de naam “ [eiseres] ”. Dit hotel wordt thans onder dezelfde naam geëxploiteerd door [eiseres] , een besloten vennootschap die hiertoe is opgericht door [betrokkene 2] .
- iii) Bij brief van 14 april 2009 van de advocaat van [betrokkene 1] , mr J.G.M. de Koning, verzocht deze in het kader van de verkoop door [betrokkene 1] van zijn onderneming “ [eiseres] ”, aan [verweerster] om medewerking te verlenen aan een indeplaatsstelling van [betrokkene 1] aan (in die brief niet nader genoemde) nieuwe huurders. [verweerster] heeft dit bij brief van haar toenmalige hoofd huurzaken, [betrokkene 3] , van 17 april 2009 geweigerd:
- iv) Op 18 maart 2011 is [betrokkene 1] op bezoek geweest bij [betrokkene 4] , medewerker van [verweerster] . Blijkens overgelegde gespreksaantekeningen is daarbij onder meer aan de orde geweest dat [betrokkene 1] , die met gezondheidsklachten bleek te kampen, de panden [a-straat 4 en 5] aan [betrokkene 2] had verkocht, maar nr. 108 nog zelf “bestierde”. Voorts is gesproken over benodigd funderingsherstel en afgesproken werd zo spoedig mogelijk nadere afspraken te maken met betrekking tot [a-straat 2] .
- v) Tussen [verweerster] en [betrokkene 1] is vervolgens op 7 april 2011 een schriftelijke overeenkomst
- vi) Op 9 mei 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [betrokkene 2] en [verweerster] . Blijkens overgelegde gespreksaantekeningen werd van de zijde van [betrokkene 2] aangedrongen op meer tijd om de resterende hotelkamers in de panden nrs. [4 en 5] op te knappen, bijvoorbeeld een jaar uitstel, waarbij van hun zijde erop werd gewezen dat in nr. [2] alleen wordt overnacht en geen andere facilitaire functies aanwezig zijn. Blijkens die aantekeningen is op dat moment geen toezegging gedaan en zou [betrokkene 4] hierover nader berichten, waarbij de funderingsherstelplannen mede bepalend zouden zijn. In vervolggesprekken is gesproken over een tijdelijk huurcontract (vanaf 1 januari 2012) en is van de zijde van [betrokkene 2] aangedrongen op een latere einddatum.
- vii) Bij e-mail van 21 november 2011 aan [betrokkene 4] heeft [betrokkene 2] onder meer verzocht om het huurcontract op naam van [eiseres] te stellen en schreef hij in verband met de door hem gewenste latere einddatum:
“Tijdelijke huurovereenkomst bedrijfsruimte 22 december 2011”getekend, volgens welke, aldus art. 2.1 daarvan, [eiseres]
“voor bepaalde tijd voor de periode van ten hoogste twee jaar, ingaande op 1 januari 2012 derhalve tot en met 31 december 2013”de bedrijfsruimte aan de [a-straat 2] huurde. In art. 2.2. is bepaald
:
“hotelonderneming (ten hoogste negen kamers, logies en ontbijt)”.
- x) Op 19 november 2013 is door het Stadsdeel Centrum aan [verweerster] een omgevingsvergunning verleend
- xi) Bij brief van 3 december 2013 schreef [verweerster] aan [eiseres] :
uiterlijk op 31 maart 2014het pand aan de [a-straat 2] te Amsterdam leeg en bezemschoon aan de Vereniging [verweerster] dient op te leveren. Tot de zomer van 2014 zullen vervolgens voorbereidende (sloop-)werkzaamheden plaatsvinden. Grofweg zal de planning er vanaf de zomer van 2014 als volgt uitzien (...).
- xiii) Bij vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2014 is de vordering van [verweerster] tot ontruiming afgewezen.
- xiv) [verweerster] heeft bij brief van 5 februari 2015 voor zover nodig opgezegd tegen 31 december 2016 op grond van dringend eigen gebruik.
primaireen verklaring voor recht dat het beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alsmede [eiseres] te veroordelen tot ontruiming op straffe van een dwangsom en tot betaling van een gebruiksvergoeding.
Subsidiairheeft [verweerster] gevorderd te bepalen dat de huurovereenkomst tussen partijen eindigt op 31 december 2016, alsmede [eiseres] te veroordelen tot ontruiming op straffe van een dwangsom en tot betaling van een gebruiksvergoeding. Tot slot heeft [verweerster] gevorderd [eiseres] te veroordelen in de kosten van het geding.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“verklaard waarom”het beroep op huurbescherming onaanvaardbaar is en (ii) [eiseres]
“dit bezwaar”in hoger beroep aan de orde zou hebben gesteld.
dathet beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (vergelijk de cassatiedagvaarding onder 1.1-1.3).
waarom(volgens [verweerster] ) het beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is - sprake is van een
“op een laat moment in de procedure bijgebrachte stelling”die het hof niet had mogen honoreren, althans niet zonder [eiseres] in de gelegenheid te hebben gesteld daarop te reageren. Zoals uit de hiervóór (onder 2.5) opgesomde vindplaatsen blijkt, heeft [verweerster] zich niet eerst in hoger beroep, maar reeds in eerste aanleg gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (en misbruik van recht oplevert). Van een schending van art. 19 Rv Pro, waarop de klacht kennelijk doelt, is derhalve geen sprake.
waaromde door haar daartoe gestelde feiten en omstandigheden ertoe leiden dat het beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, stond het naar mijn mening aan het hof vrij om bij de beoordeling van het beroep op derogerende werking naast de in dat kader ingeroepen feiten en omstandigheden ook alle overige te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden te betrekken en daaraan zijn eigen conclusies te verbinden [4] . Ook daarom faalt de klacht.
dathet beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dat zij stellingen van [verweerster] in dat verband heeft betwist, maar
nietdat zij daarbij (tevens) heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft beoordeeld of het beroep van [eiseres] op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat [verweerster] niet zou hebben verklaard
waaromhet beroep op huurbescherming onaanvaardbaar is. Ook in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
onaanvaardbaaris. Het hof heeft in zoverre voldoende terughoudendheid betracht [6] . De rechtsklacht van subonderdeel 2A faalt derhalve.
eerste klachtvan subonderdeel 2B (nader uitgewerkt in de cassatiedagvaarding onder 2.8-2.10) faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Uit rov. 3.4 (in het bijzonder de zesde volzin:
“De omissie van [verweerster](om goedkeuring van art. 2.2 van de huurovereenkomst te vragen; LK)
neemt onder de omstandigheden van dit geval echter niet weg dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] een beroep doet op huurbescherming en dat zij misbruik maakt van recht.”) en rov. 3.5 (waarin het hof heeft overwogen dat op het in rov. 3.4 in fine vervatte oordeel onder meer ook grief 1, die is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4 van diens vonnis dat opzegging van de huurovereenkomst door Vereniging [verweerster] niet nodig was geweest, afstuit [8] ) volgt dat het hof de stellingen van [eiseres] inzake: (i) (het onbenut laten van) de mogelijkheid tot goedkeuring door de kantonrechter van het (door [eiseres] vernietigde) beding van art. 2.2 van de huurovereenkomst (waarmee afstand wordt gedaan van huurbescherming), (ii) het niet opzeggen door [verweerster] van de huurovereenkomst (dat volgens [eiseres] wel was vereist) en (derhalve ook) de met dit een en ander verband houdende stelling, kort gezegd, (iii) dat het aan [verweerster] zelf is te wijten dat [eiseres] een beroep op huurbescherming heeft kunnen doen, wel degelijk heeft betrokken in zijn oordeel dat het onder alle omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] een beroep op huurbescherming doet, alsmede dat zij misbruik maakt van recht (rov. 3.4 slot en 3.5).
“Bijgestelde einddatum huur 31 maart 2014”vermeldt) wijst in een andere richting
(“Derhalve komen wij in afwijking van artikel 2.1 van de met u gesloten overeenkomst overeen dat u uiterlijk op 31 maart 2014 het pand aan de [a-straat 2] te Amsterdam leeg en bezemschoon aan de Vereniging [verweerster] dient op te leveren.”). Ook de kantonrechter en het hof lijken ervan te zijn uitgegaan dat overeenstemming ter zake was bereikt. Ik verwijs in dit verband naar rov. 6 van het vonnis van 27 november 2015, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het niet voor de hand lag dat voor de kortdurende verlenging voorafgaand separaat goedkeuring werd gevraagd of
“de verlenging expliciet onder opschortende voorwaarde van verlening hiervan werdovereengekomen”(waartegenover echter staat dat de kantonrechter in rov. 5 heeft geoordeeld dat [eiseres] , vanwege het falen van haar beroep op huurbescherming, het pand reeds sinds 1 januari 2014 zonder recht of titel bezet houdt), respectievelijk rov. 3.3 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat
“ [eiseres] zowel bij het aangaan van de huurovereenkomst alsbij het overeenkomen van deze verlengingop de hoogte was van de intentie van [verweerster] om geen huurbescherming te doen ontstaan en het gehuurde begin 2014 zelf te kunnen gebruiken voor omvangrijke werkzaamheden waarmee [eiseres] bekend was”(onderstrepingen toegevoegd; LK). Bij het voorgaande komt dat, waar [verweerster] blijkens haar brief van 3 december 2013 onmiskenbaar van wilsovereenstemming over voortgezet gebruik tot 31 maart 2014 uitging, het op de weg van [eiseres] had gelegen terstond, althans tijdig voor 1 januari 2014, van een eventuele andere opvatting ter zake te doen blijken en dat [eiseres] zich bij die stand van zaken niet te goeder trouw erop kan beroepen dat [verweerster] naar aanleiding van het uitblijven van een reactie van [eiseres] op de brief van 3 december 2013 niet vóór 1 januari 2014 enige actie heeft ondernomen.
tweede klachtvan subonderdeel 2B betoogt (hetgeen nader wordt uitgewerkt in de cassatiedagvaarding onder 2.14-2.18), heeft het hof niet miskend dat vernietiging (door [eiseres] ) van het beding van art. 2.2 van de huurovereenkomst (waarmee afstand wordt gedaan van huurbescherming) tot gevolg heeft gehad dat aan [eiseres] in beginsel een beroep op huurbescherming toekomt. Het hof is kennelijk van een wettelijk recht op huurbescherming uitgegaan, maar heeft (in de rov. 3.4 en 3.5 bij herhaling) geoordeeld dat het in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] zich op dit recht beroept en dat zij daarvan misbruik maakt.
“geen sprake (is) van huurbescherming”; dat laatste was, gelet op de duur van de tijdelijke huurovereenkomst, juridisch ook correct (art. 7:301 lid 1 BW Pro). Bij die stand van zaken miste art. 7:291 lid 1 BW Pro toepassing (art. 7:301 lid 1 BW Pro) en bestond voor vernietiging van art. 2.2 geen grond. Dat laatste zou anders kunnen zijn indien met de bepaling zou zijn beoogd een beroep op huurbescherming ook in geval van verlenging van de overeengekomen huur uit te sluiten, maar ook voor dat geval is het inroepen van de nietigheid door [eiseres] problematisch, nu [eiseres] zelf immers staande houdt dat geen verlenging van de huur tot 31 maart 2014 is overeengekomen.
hypothetische toestemming van de kantonrechter”[verweerster] niets helpt omdat die hypothetische toestemming beperkt zou zijn geweest tot drie extra maanden
, “terwijl [eiseres] thans aanspraak kan maken op drie extra jaren”en dat het hof zo bezien heeft miskend
“dat [verweerster] er wel degelijk belang bij had, van haar uit bezien, zich terzake tot de kantonrechter te wenden”, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover het hier al gaat om een separate klacht, miskent het onderdeel dat - indien [verweerster] de kantonrechter om goedkeuring van het onderhavige beding zou hebben gevraagd en deze goedkeuring zou hebben verkregen (hetgeen het hof zeer waarschijnlijk acht; rov. 3.4 vijfde volzin), [eiseres] juist
geenaanspraak had kunnen maken op de door haar gestelde
“extra jaren”.
“willens en wetens niet heeft willen opzeggen”(zoals de cassatiedagvaarding onder 2.21 stelt), mist feitelijke grondslag. In de in het middel genoemde vindplaatsen [10] ontbreken stellingen van die strekking.
geen opzeggingdoor [verweerster] nodig was geweest. De tegen dat oordeel gerichte grief 1 heeft het hof, zo volgt uit rov. 3.5 van het arrest, verworpen. Daartegen heeft het middel geen specifieke klacht gericht, zodat in cassatie onbestreden vaststaat dat voor beëindiging van de onderhavige tijdelijke huurovereenkomst
geen opzeggingwas vereist [11] . Voor zover de klachten ervan uitgaan dat opzegging wél was vereist, falen deze ook daarom.
“Het hof acht het vanwege de korte termijn van de verlenging zeer waarschijnlijk dat goedkeuring zou zijn gegeven.”, waaruit volgt dat naar het oordeel van het hof een door [verweerster] gevraagde toestemming wél zou zijn verleend), maar heeft haar verworpen.
ten eersteaangevoerd dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat [verweerster] het aan zichzelf heeft te wijten dat de door [eiseres] ingeroepen huurbescherming is ontstaan (cassatiedagvaarding onder 3.1). De klacht bouwt voort op de hiervóór reeds ongegrond bevonden eerste klacht van subonderdeel 2B en moet het lot van die klacht delen.
onder (a)treft geen doel. Het hof heeft klaarblijkelijk onder ogen gezien dat door de
“overschrijding van de termijn van artikel 7:301 lid 1 BW Pro”, al is het dan
“met slechts drie maanden”(zie rov. 3.3, vijfde volzin, eerste gedachtestreepje), een beroep op huurbescherming is opengevallen. Dat behoefde het hof echter geenszins te beletten om te beoordelen of onder de omstandigheden van het geval een beroep op huurbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en om daarbij mede de korte duur van de overschrijding in aanmerking te nemen. Zoals toegelicht bij de bespreking van subonderdeel 2B is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk en is het voldoende gemotiveerd.
“slechts drie maanden”heeft het hof zich derhalve niet buiten de rechtsstrijd van partijen begeven, waarbij ik overigens eraan herinner dat, zoals hiervóór (onder 2.7) reeds aan de orde kwam, het aan het hof vrijstond om bij de beoordeling van het beroep op derogerende werking naast de in dat kader ingeroepen feiten en omstandigheden ook alle overige te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden te betrekken en daaraan zijn eigen conclusies te verbinden. Het gestelde
onder (b) en onder (d)treft derhalve geen doel.
onder (c)bedoelde stelling van [verweerster] houdt niet meer in dan dat [eiseres] , door niet vóór eind december 2013 op de brief van [verweerster] van 3 december 2013 te reageren (en door [verweerster] aldus in de veronderstelling te laten dat partijen het eens waren dat [eiseres] het gehuurde uiterlijk op 31 maart 2014 zou opleveren), [verweerster] de mogelijkheid heeft ontnomen om het gebruik na 31 december 2013 te belemmeren, waarbij kennelijk in het bijzonder is gedacht aan de mogelijkheid nog in de loop van de maand december 2013 op oplevering, uiterlijk op 31 december 2013, te insisteren. Die stelling zegt niets over de vraag of, zoals het onderdeel wil, ook naar het oordeel van [verweerster] elke overschrijding van de wettelijke termijn tot huurbescherming leidt [18] , nog daargelaten dat de opvatting van [verweerster] daarover, evenmin als die van [eiseres] , voor de beantwoording van die (rechts)vraag beslissend is. Voor zover het onderdeel onder (c) al een klacht bevat, is overigens niet duidelijk tegen welk oordeel of welke beslissing van het hof die klacht is gericht.
bewustniet voor eind december 2013 gereageerd en daarmee [verweerster] de mogelijkheid ontnomen om het gebruik na 31 december 2013 te belemmeren (onderstreping toegevoegd; LK).”
bewustniet voor 31 december 2013 op de brief van [verweerster] en ontneemt zo [verweerster] de mogelijkheid om voor 31 december 2013 te laten weten dat zij met gebruik na 3(1) december 2013 niet akkoord kan gaan. Het samenstel van de gedragingen van appellante maakt dat er sprake is van een onaanvaardbaar beroep op huurbescherming en misbruik van dat beroep (onderstreping toegevoegd; LK).”
nder (c)faalt derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag.
“gewacht”ook daarom voor de hand, omdat een snelle reactie op de brief van 3 december 2013, waarin van een tussen partijen bereikte wilsovereenstemming werd uitgegaan, alleszins voor de hand lag. Volgens [eiseres] was immers géén wilsovereenstemming bereikt en bij die stand van zaken zou de huurovereenkomst reeds op 31 december 2013 expireren. [eiseres] moet zich bewust zijn geweest dat, zolang zij zweeg, [verweerster] (althans in de visie van [eiseres] ) ten onrechte in de veronderstelling zou verkeren dat over een verlenging van het gebruik van het gehuurde gedurende drie maanden (en oplevering van het gehuurde door [eiseres] , uiterlijk op 31 maart 2014) wilsovereenstemming bestond. Om dat (volgens [eiseres] bestaande) misverstand bloot te leggen, was een onderzoek naar de huursituatie van [eiseres] zoals genoemd in het onder (b) bedoelde citaat, niet nodig.
“gewacht”. Dat [eiseres] naar aanleiding van de brief van 3 december 2013 haar huursituatie heeft laten uitzoeken, impliceert allerminst dat het resultaat van dat (weinig gecompliceerde) onderzoek haar niet voor 1 januari 2014 bekend kon zijn. Waar de uitkomst van dat onderzoek geen andere kon zijn dat slechts bij voortgezet gebruik na 31 december 2013 van huurbescherming sprake zou zijn en [eiseres] , blijkens het bedoelde citaat, een zwaarwegend financieel belang had bij voortzetting van de huur, lijkt het niet te gewaagd te veronderstellen dat [eiseres] , indien zij zich een en ander voor 1 januari 2014 heeft gerealiseerd, bewust met haar beroep op huurbescherming heeft gewacht, opdat zij haar beroep op huurbescherming op enig voortgezet gebruik na 31 december 2013 kon doen steunen. De klacht onder (b) wordt tevergeefs voorgesteld.
onder (a)treft geen doel.