Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van de onbevoegd verrichte doorzoeking van de auto onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat kan worden volstaan met de constatering van een vormverzuim zoals bedoeld in art. 359a Sv.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het geconstateerde verzuim te verdisconteren in de strafmaat, omdat de verdachte nadeel heeft geleden ten gevolge van het verzuim. Door de onrechtmatige doorzoeking is immers inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, aldus de raadsman.
tweede middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn.
Vervolgens heeft het hof de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] als bewijsmiddelen 3 en 4 tot het bewijs gebezigd. Voorts heeft het hof de op 12, 13 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 3] als bewijsmiddelen 5, 6 en 7 voor het bewijs gebruikt.
derde middelbehelst de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] geen schending oplevert van art. 6 EVRM Pro.
(i) De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 12 en 16 juli 2012 bij de politie als verdachte (voor de verdachte belastende) verklaringen afgelegd. De medeverdachte [medeverdachte 3] heeft op 12, 13 en 16 juli 2012 bij de politie als verdachte (voor de verdachte belastende) verklaringen afgelegd.
(ii) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 november 2013 verzocht om de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als getuigen te horen. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 februari 2014 heeft de raadsman bij dit verzoek gepersisteerd.
(iii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 februari 2014 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuigen gehoord. Beiden hebben tijdens dit verhoor een beroep gedaan op hun verschoningsrecht en zij hebben geen antwoord gegeven op de aan hen gestelde vragen.
(iv) De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 20 februari 2014 veroordeeld. De rechtbank heeft de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] als bewijsmiddelen 1 en 2 en de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 3] als bewijsmiddelen 5 en 6 tot het bewijs gebezigd. Namens de verdachte is op 4 maart 2014 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De door de raadsman van de verdachte tijdig ingediende appelschriftuur bevat geen onderzoekswensen.
(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte wederom verzocht de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als getuigen te horen. Volgens de raadsman is de noodzaak tot het horen van [medeverdachte 3] aanwezig, aangezien [medeverdachte 3] heeft aangegeven dat hij in hoger beroep een verklaring wil afleggen. De raadsman wenst [medeverdachte 1] te horen over zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Het hof heeft deze verzoeken toegewezen en de zaak daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris.
(vi) Op 10 maart 2015 is [medeverdachte 3] in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. Bij dit verhoor heeft [medeverdachte 3] een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht en geen antwoord gegeven op het merendeel van de aan hem gestelde vragen. De raadsman van de verdachte heeft afstand gedaan van de getuige. [10] Ook [medeverdachte 1] is op 10 maart 2015 in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. [medeverdachte 1] heeft bij dit verhoor eveneens een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht en geen antwoord gegeven op het merendeel van de aan hem gestelde vragen. De raadsman heeft geen afstand gedaan van deze getuige. [11] (vii) Bij arrest van 18 september 2015 heeft het hof de verdachte veroordeeld. Het hof de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] als bewijsmiddelen 3 en 4 voor het bewijs gebruikt. Voorts heeft het hof de op 12, 13 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 3] als bewijsmiddelen 5, 6 en 7 tot het bewijs gebezigd.
Het hof heeft de op 12 juli 2012 (bewijsmiddel 5), 13 juli 2012 (bewijsmiddel 6) en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 3] tot het bewijs gebezigd. Deze verklaringen houden het volgende in. [medeverdachte 3] is samen met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) door een blanke man opgehaald, waarna zij vanuit Arnhem naar Rotterdam zijn gereden in een groene auto van het merk Polo. In Rotterdam aangekomen heeft de bestuurder van een groene bus een plastic zak in de auto (van het merk Polo) gelegd. De blanke man in de Volkswagen Polo, die [medeverdachte 3] heeft opgehaald, betreft de verdachte. Achter de bijrijdersstoel van die auto lag een zwarte tas met tiewraps en duct tape. [medeverdachte 3] wilde geld verdienen en wist dat hij naar Rotterdam ging om een strafbaar feit te plegen.