Conclusie
1.Feiten en procesverloop
indicateddates for the phases Golive ER and Care logistics have to be rescheduled.
Conclusion
Termination agreements
primairvoor recht verklaart dat de raamovereenkomst door JBZ op rechtsgeldige wijze is ontbonden bij brief van 3 oktober 2011, dan wel,
subsidiairde Raamovereenkomst per datum vonnis ontbindt;
primairals
subsidiairAlert c.s. hoofdelijk veroordeelt tot nakoming van de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen, bestaande uit terugbetaling aan JBZ van een bedrag van € 1.175.854,86 te vermeerderen met rente;
meer subsidiairvoor recht verklaart dat JBZ de Raamovereenkomst bij brief van 3 oktober 2011 rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 3 oktober 2012 en
primair, subsidiairen
meer subsidiair,Alert c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan JBZ van een schadevergoeding van € 8.000.000,— vermeerderd met wettelijke rente.
primairvoor recht te verklaren dat de Raamovereenkomst bij brief van 3 oktober 2011 is ontbonden, dan wel
subsidiairper datum arrest de Raamovereenkomst te ontbinden en
milestone, zodat deze datum als fatale termijn heeft te gelden (rechtsoverweging 3.8.5.1, arrest 17 februari 2015). JBZ heeft kennelijk geaccepteerd dat de eerste IAT zou worden vervangen door een FAT, [3] maar de resultaten van die FAT waren onbevredigend. Alert c.s. hebben de fatale termijn dan ook niet gehaald, zodat het in de Change Proposal opgenomen tijdpad niet werd nagekomen (rechtsoverweging 3.9.5, arrest 17 februari 2015).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelheeft betrekking op het oordeel van het hof over de vraag of de Change Proposal en het Addendum derogeren aan de Raamovereenkomst. Hierover heeft het hof in het tussenarrest van 17 februari 2015 als volgt overwogen:
onder 1.3heeft het hof in rechtsoverweging 3.7.3 een van de Haviltex-maatstaf afwijkende maatstaf gehanteerd en niet alle relevante (door Alert c.s. aangevoerde) omstandigheden kenbaar bij zijn oordeel betrokken. Dit doordat het hof alleen in aanmerking heeft genomen dat de Raamovereenkomst blijkens de tekst van het Addendum leidend bleef (en alleen de Bijlagen werden vervangen). Daarnaast betoogt het onderdeel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat uit de tekst van het Addendum niet (zonder meer) volgt dat de Raamovereenkomst ‘leidend bleef’, althans niet op een wijze die maakt dat voor zover het nieuw overeengekomen tijdspad door aan Alert c.s. toe te rekenen omstandigheden niet zou worden nagekomen, terug kon worden gevallen op de einddatum van 1 januari 2012.
onder 1.4.Aldaar klaagt het onderdeel dat het enkele feit dat het Addendum alleen expliciet melding maakt van vervanging van de afspraken uit de bijlagen, niet (zonder meer) de conclusie kan dragen dat bij toerekenbare niet-nakoming door Alert c.s. van de nieuwe planningsafspraken, die strijdig zijn met de in de Raamovereenkomst overeengekomen einddatum van 1 januari 2012, terug kan worden gevallen op de einddatum. Dit geldt volgens het onderdeel te meer nu voor deze uitleg geen aanknopingspunten zijn te vinden, behalve de stelling van JBZ. Dit maakt het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Bovendien is de motivering door het hof volgens het onderdeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van het daarbij ten onrechte niet betrokken betoog dat:
nieuwevertraging ontstaat. Evenmin valt in te zien waarom het hof stelling b in de beoordeling diende te betrekken, nu zonder nadere toelichting de relevantie van die stelling niet duidelijk is. Dat het doel van de Change Proposal was het maken van nieuwe afspraken om problemen te verhelpen ten aanzien van timing en doelen (stelling c), is door het hof onderkend. Daaruit volgt geen eenduidige aanwijzing dat de reikwijdte van die afspraken anders is dan door het hof aangenomen. Dat de Change Proposal ook planningsissues adresseerde die enkel in de sfeer van JBZ lagen (stelling d), is al evenmin een aanwijzing die eenduidig tegen de door het hof aanvaarde uitleg pleit. Ook volgens de door het hof gegeven uitleg kon JBZ zich niet op de eerder ontstane vertraging beroepen en werd in plaats daarvan beslissend of Alert c.s. zich aan de nieuw overeengekomen planning zouden houden. Op vergelijkbare gronden zijn de stellingen e, f en g niet als essentieel te beschouwen en levert het geen motiveringsgebrek op dat het hof ze niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken.
Inhoudelijkbetekent de beslissing van het hof echter niets anders dan dat JBZ met haar instemming met het gewijzigde tijdspad geen rechten heeft prijsgegeven, althans niet een uit artikel 23.8 van de Raamovereenkomst voortvloeiend recht, voor het geval Alert c.s. (ook) de nadere afspraken met de voeten zou treden. Aldus begrepen, is ’s hofs uitleg mijns inziens alleszins begrijpelijk.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 3.8.5.1 van het tussenarrest, waar het hof oordeelt dat de datum van 28 februari 2011 voor de eerste IAT als fatale termijn heeft te gelden:
indication”. Het hof begrijpt deze toevoeging als niet meer dan de onderkenning door partijen van het gegeven dat het kunnen overgaan tot uitvoering van de fase van GoLive afhankelijk was van de stand van zaken met betrekking tot andere (eerder te voltooien) onderdelen van het project. Die enkele onderkenning betekent nog niet dat de datum van 28 februari 2011 voor de eerste IAT niet fataal zou zijn. Ook de vaststelling dat op pagina 35 van het Change Proposal staat vermeld: ‘pending’, betekent niet dat de datum van 28 februari 2011 voor de eerste IAT niet fataal zou zijn. Het hof volgt JBZ in haar standpunt (memorie van grieven, sub 6.32) dat het feit dat bepaalde milestones niet van een concrete datum waren voorzien, niet betekent dat milestones waaraan wel een datum was verbonden geen fataal karakter hadden. Aan de milestone van de ‘1st Integral Acceptance Test’ is in de Change Proposal expliciet een datum verbonden, te weten 28 februari 2011, welke datum dan – zoals hiervoor al overwogen – in beginsel fataal is, behoudens nadere afspraken tussen partijen die niet zijn gemaakt. De vermelding op pagina 36 van het Change Proposal dat “Detail determination takes place after the Change Proposal has been determined” leidt evenmin tot een andere conclusie. Van een andere datum voor de eerste IAT is namelijk niet gebleken. Andere feiten en omstandigheden die tot de door Alert c.s. verdedigde conclusie leiden, zijn niet gesteld noch gebleken.’
onder 2.1dat het oordeel van het hof dat de datum van 28 februari 2011 slechts als niet fataal zou hebben te gelden als partijen een nieuwe fatale termijn zouden zijn overeengekomen, onjuist is. Dit omdat de vraag of partijen een fatale termijn zijn overeengekomen volgens het onderdeel afhangt van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden ‘daaraan’ over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
mogelijkeaanwijzing is, lijkt mij vanzelfsprekend – onvoldoende heeft geoordeeld, sluit niet alleen aan bij de bedoelde systematiek van de Raamovereenkomst en een gangbare betekenis van de woorden ‘for the time being’, maar ook bij art. 6:83 lid 1 aanhef Pro en onder a BW, volgens welke het verstrijken van een voor voldoening bepaalde termijn het verzuim zonder ingebrekestelling doet intreden ‘tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft’. ’s Hofs niet onbegrijpelijke oordeel komt erop neer dat die andere strekking niet is gebleken. Weliswaar hadden partijen in artikel 16.1 van de Raamovereenkomst een andere maatstaf geformuleerd (‘dan wel een andere expliciet door partijen als fatale termijn aangeduide termijn’), maar die andere maatstaf gold niet voor de milestones.
Onder 2.3klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is omdat het hof de aangehaalde stellingen niet bij zijn oordeel heeft betrokken. Beide klachten bespreek ik gezamenlijk. De door het hof beweerdelijk ten onrechte veronachtzaamde omstandigheden zijn de volgende:
stelplichtrustte met betrekking tot feiten en omstandigheden die mee kunnen brengen dat de overeengekomen termijn voor de eerste IAT van 28 februari 2011 – die, anders dan het onderdeel doet voorkomen, onmiskenbaar ‘een voor de voldoening bepaalde termijn’ in de zin van de wet is – een andere strekking heeft dan dat Alert c.s. door het verstrijken van de termijn in verzuim zou geraken, is dat geheel in overeenstemming met het stelsel van art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW. [9]
acceptanceand the start of the activities of the Workgroep GoLive’ (zie onder 1.1.6, cursivering hier toegevoegd).
derde onderdeelheeft betrekking op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank had op dit punt in rechtsoverweging 4.25 van het vonnis van 21 augustus 2013 als volgt overwogen (cursivering toegevoegd):
Bezien tegen die achtergrond acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om - zo partijen bij gelegenheid van het CP al niet (ook) de datum voor het bereiken van de papierloze status hebben opgeschoven, zoals Alert c.s. heeft gesteld en JBZ heeft betwist - Alert c.s. op 3 oktober 2011, twee dagen na de in het CP genoemde datum voor GoLive, al te confronteren met een ontbinding op grond van het (mogelijk) niet halen van de deadline van artikel 23.8. ROVK.De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat JBZ in januari 2011 zelf nog aan Alert c.s. heeft voorgesteld de datum voor GoLive uit te stellen tot 1 februari 2012, dus tot na de in artikel 23.8. ROVK genoemde datum.’
onder 3.1, met vermelding van vindplaatsen uit onder meer de memorie van antwoord, dat Alert c.s. in hoger beroep een nader onderbouwd beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid hebben gedaan en dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro heeft nagelaten op dit punt een beslissing te nemen.
Onder 3.2klaagt het onderdeel dat in ieder geval het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.14 dat grief V slaagt, in het licht van het voorgaande onvoldoende is gemotiveerd.
Onder 3.3 en 3.4veronderstelt het onderdeel dat het hof in respectievelijk rechtsoverweging 3.11.4 en het slot van 3.9.5 op het verweer van Alert c.s. heeft willen responderen en klaagt het dat het hof in dat geval een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en bovendien niet alle door Alert c.s. ingeroepen feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken.
diezelfde gebeurtenissenmeebrengen dat een partij zich in verband met de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op de inhoud van de overeenkomst niet meer kan beroepen. Het zal echter mede van het partijdebat afhangen of inderdaad in de uitlegfase reeds alle relevante gebeurtenissen uit de uitvoeringsfase in de beoordeling worden betrokken. Indien in die fase bepaalde omstandigheden buiten beschouwing zijn gebleven, heeft een beroep op de beperkende werking onder verwijzing naar die omstandigheden uiteraard wel ten volle zelfstandige betekenis.
reeds daaromniet tot gevolg kunnen hebben dat een beroep op artikel 23.8 van de Raamovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat lijkt me echter onjuist. Hetgeen aan de ontbinding op 3 oktober 2011 voorafging en wat de (aan de ene dan wel aan de andere partij toe te rekenen) oorzaken zijn van de omstandigheid dat op 3 oktober 2011 de einddatum van 1 januari 2012 onhaalbaar was, is niet
bij voorbaatzonder betekenis voor de toets of het beroep op artikel 23.8 van de Raamovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
vierde onderdeelziet op het oordeel van het hof over de (gevolgen van de) ontbinding.
onder 4.1allereerst tegen rechtsoverweging 3.10.3 van het hof. Deze rechtsoverweging betreft de vraag of JBZ artikel 23.8 van de Raamovereenkomst en de daarin genoemde contractuele eindtermijn van 1 januari 2012 terecht als grond voor ontbinding aanvoert. Over het door Alert c.s. hiertegen gevoerde verweer overweegt het hof als volgt:
mei2011 beschikbaar was, hetgeen er op lijkt te duiden dat JBZ in april 2011 nog niet de nieuwe versie van de software zou hebben kunnen testen. Op een niet begrijpelijk toegelichte stelling behoefde het hof niet te responderen. Het subonderdeel faalt.
onder 4.2een klacht voor zover het hof hiermee meer op het oog heeft dan zijn oordeel dat JBZ een beroep kan doen op artikel 23.8 van de Raamovereenkomst en/of heeft aangenomen dat het slagen van het beroep van JBZ op artikel 23.8 van de Raamovereenkomst meer rechtsgevolgen heeft dan het einde van de Raamovereenkomst. In dat geval heeft het hof, zo betoogt het onderdeel, in strijd met art. 24 Rv Pro en zijn plicht voldoende inzicht te geven in de aan het oordeel ten grondslag liggende gedachtegang, geen kenbare aandacht besteed aan (de verdere onderbouwing van) de ontbindingsvorderingen van JBZ en de door Alert c.s. daartegen aangevoerde verweren.
ontbindingvan de overeenkomst mocht overgaan. De juistheid van die aanname is niet vanzelfsprekend, zo kan aan de stellers van het middel worden toegegeven. Onmogelijk is zij echter evenmin: indien JBZ stelt op grond van artikel 23.8 van de Raamovereenkomst tot ontbinding te kunnen overgaan en Alert c.s. in reactie hierop niet naar voren brengt dat artikel 23.8 van de Raamovereenkomst enkel een bevoegdheid tot beëindiging (niet inhoudende ontbinding) bevat, kan en mag het hof ervan uitgaan dat ontbinding op grond van artikel 23.8 van de Raamovereenkomst tot de mogelijkheden behoort. In dat licht bezien voldoet een klacht die ter onderbouwing slechts in algemene zin en zonder vindplaatsen verwijst naar ‘JBZ’s (verdere onderbouwing van haar) ontbindingsvorderingen en de door Alert c.s. daartegen aangevoerde verweren’ niet aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen vereisten.
anderszins beëindigen’ van de overeenkomst slechts mogelijk is op basis van ‘artikel 23 (ontbinding)’ of met wederzijds goedvinden (cursivering toegevoegd, zie ook onder 1.1.3). Ook in het licht van art. 6:80 BW Pro (anticipatory breach) is het niet zo vreemd dat artikel 23.8, dat betrekking heeft op het geval dat aannemelijk is dat Alert c.s. de papierloze organisatieomgeving niet tijdig zal kunnen realiseren, door het hof als een geval van ontbinding wegens een tekortkoming is geduid. Artikel 23.8 laat zich begrijpen als een contractuele variant van art. 6:80 BW Pro, op welke bepaling eveneens een ontbinding kan worden gebaseerd die vooruitgrijpt op een tekortkoming die ten tijde van de ontbinding nog in de toekomst lag.
onder 4.5,die is voorgesteld voor zover het hof de schadevergoedingsplicht van Alert c.s. heeft gebaseerd op iets anders dan het niet-nakomen van de termijn voor de eerste IAT uit de Change Proposal, nu dat, aldus het subonderdeel, het enige tekortschieten is dat het hof heeft vastgesteld.
onder 4.6neemt het onderdeel tot uitgangspunt dat het niet halen van de datum van 1 januari 2012 geen door het hof vastgestelde tekortkoming betreft, waar het klaagt dat het oordeel van het hof over de personeelskosten ten onrechte (mede) is gebaseerd op de omstandigheid dat deze kosten zijn veroorzaakt doordat de datum van 1 januari 2012 niet is gehaald.
schadeen niet over toerekening van de
tekortkoming. Daarmee resteert van het subonderdeel nog het tweede deel van de klachten. Die klachten komen er in de kern op neer dat Alert c.s. hebben betoogd dat de tekortkoming(en) niet aan hen kunnen worden toegerekend, omdat JBZ verantwoordelijk is voor de vertraging van het project, en dat het hof hier niet op is ingegaan. Daartoe hebben Alert c.s. in punt 9.24 van de memorie van antwoord, als vindplaats genoemd in voetnoot 40 van de cassatiedagvaarding, aangevoerd dat ‘de vraag rijst of de overschrijdingen te wijten zijn aan de gedragingen van JBZ’ en vervolgens verwezen naar de punten 3.11-3.17 en 3.22-3.24 van de memorie van antwoord. Wanneer deze nadere vindplaatsen van de memorie van antwoord worden bestudeerd, blijkt dat hetgeen Alert c.s. aldaar naar voren heeft gebracht ziet op de periode vóór (de totstandkoming van) de Change Proposal. Hetgeen zich in die periode heeft voorgedaan, doet hier echter niet ter zake. De door het hof aangenomen tekortkomingen van Alert c.s. zien immers allen op de periode ná de Change Proposal en dus op de nieuwe planning, zodat eventuele aan JBZ toe te rekenen vertragingen in de eerdere planning in de redenering van het hof niet ter zake doen. Gelet daarop behoefde het hof niet op dit verweer in te gaan. [24]
onder 4.8richt zich tegen de rechtsoverwegingen 6.20 en 6.24 van het eindarrest van 9 augustus 2016, waar het hof overweegt dat de ongedaanmakingsvordering van JBZ op grond van art. 6:271 BW Pro toewijsbaar is. Deze klacht berust wederom op het uitgangspunt dat door het hof geen tekortkoming in de nakoming is vastgesteld en slechts een beroep op een contractuele opzeggingsgrond is gehonoreerd. Ook deze klacht kan geen doel treffen.