ECLI:NL:PHR:2017:1019

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
5 oktober 2017
Zaaknummer
17/02284
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 8 Wet BopzArt. 10 lid 4 Wet BopzArt. 20 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen voorlopige machtiging in BOPZ-zaak

In deze zaak betreft het een beroep in cassatie tegen twee beschikkingen van de rechtbank Gelderland in een BOPZ-procedure. De eerste beschikking van 19 januari 2017 verleende een voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één maand, terwijl de behandeling van het verzoek voor de resterende periode werd aangehouden. De tweede beschikking van 9 februari 2017 wees het verzoek tot voorlopige machtiging af, omdat de rechtbank niet tot de overtuiging was gekomen dat betrokkene leed aan een stoornis van de geestvermogens.

Het cassatieberoep werd op 9 mei 2017 ingesteld tegen beide beschikkingen. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep tegen de deelbeschikking van 19 januari 2017 te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de eindbeschikking van 9 februari 2017 is wel tijdig ingesteld, maar wordt verworpen. De Hoge Raad overweegt dat er geen sprake is van een innerlijk tegenstrijdig oordeel tussen de twee beschikkingen, aangezien op 9 februari 2017 meer en andere informatie beschikbaar was dan op 19 januari 2017.

Verder bespreekt de Hoge Raad de juridische aard van een voorlopige machtiging als een definitieve rechterlijke machtiging en benadrukt dat een splitsing in deelbeschikkingen in BOPZ-zaken weinig praktisch nut heeft. De Hoge Raad wijst ook op het ontbreken van een wettelijke mogelijkheid om een voorlopige voorziening te treffen die niet in een einduitspraak is vervat. De conclusie luidt dat het beroep tegen de deelbeschikking niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de eindbeschikking wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de afwijzing is verworpen.

Conclusie

Zaaknr: 17/02284
mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 11 augustus 2017
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Oost-Nederland
In deze BOPZ-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank in een deelbeschikking een voorlopige machtiging heeft verleend voor de duur van één maand, hoewel de rechtbank een maand later in haar eindbeschikking tot het oordeel kwam dat ten aanzien van betrokkene geen sprake is van een stoornis van de geestvermogens.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift, ingekomen op 2 januari 2017, heeft de officier van justitie in het parket Oost-Nederland aan de rechtbank Gelderland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Pro Bopz). Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 14 november 2016 opgemaakt en ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 5], met een aanvulling van deze psychiater d.d. 22 december 2016. [1]
1.2
Op 19 januari 2017 heeft de rechtbank de advocaat van betrokkene en een waarnemer voor de ambulant behandelaar [betrokkene 1] gehoord. Betrokkene zelf was niet verschenen ter zitting. De rechtbank stelde vast dat betrokkene bekend was met datum en tijdstip van de zitting en concludeerde dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen [2] .
1.3
Bij beschikking van 19 januari 2017 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van één maand en voor het overige de behandeling van het verzoek van de officier van justitie aangehouden.
1.4
Op 9 februari 2017 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling voortgezet en gehoord: betrokkene (inmiddels opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Wolfheze) en haar advocaat, een waarnemer voor de behandelaar [betrokkene 2] (psycholoog), de behandelend arts [betrokkene 3] en de ambulant behandelaars [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging afgewezen, na te hebben overwogen dat zij op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting verkregen inlichtingen niet tot de overtuiging is gekomen dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens.
1.5
Namens betrokkene is op 9 mei 2017 [3] beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 19 januari 2017 en tegen de beschikking van 9 februari 2017. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Een voorlopige machtiging kan worden verleend voor maximaal zes maanden (art. 10 lid 4 Wet Pro Bopz). In – het dictum van − haar beschikking van 19 januari 2017 heeft de rechtbank alvast een voorlopige machtiging verleend voor de duur van één maand en de behandeling van het verzoek van de officier van justitie voor het overige (d.w.z. voor de resterende vijf maanden) aangehouden. Het vanuit de wetsgeschiedenis van de Wet Bopz verklaarbare gebruik van het woord ‘voorlopig’ in de wettelijke aanduiding ‘voorlopige machtiging’ zet een onbevangen lezer al snel op een verkeerd spoor: bij een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz gaat het niet om een voorlopige voorziening tijdens het geding, maar om een definitieve rechterlijke machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. De beschikking van 19 januari 2017 is dus een zogenaamde deelbeschikking, in het dictum waarvan ten aanzien van een deel van het verzochte door de rechter definitief een eindbeslissing op het verzoek is genomen, namelijk voor wat betreft de machtiging tot vrijheidsbeneming in het tijdvak van één maand waarvoor de machtiging is verleend. De beschikking heeft voor dat deel te gelden als een einduitspraak [4] . Bij eerdere gelegenheden heb ik uiteengezet dat een dergelijke splitsing in deelbeschikkingen, ook al is zij wettelijk niet verboden, in Bopz-zaken geen praktisch nut heeft omdat ten aanzien van iedere (gedeeltelijk) toewijzende beschikking aan alle wettelijke vereisten voor een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz moet zijn voldaan, met inbegrip van de eis van een recent psychiatrisch onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. [5]
2.2
Ingevolge art. 426 lid 4 Rv Pro in samenhang met art. 401a lid 2 Rv kan cassatieberoep tegen een
tussenbeschikking slechts worden ingesteld tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking (tenzij de rechter die de beschikking heeft gegeven anders heeft bepaald). Indien het beroep is gericht tegen een
deelbeschikking waarin ten aanzien van een deel van het verzochte een einde aan het geding is gemaakt, gaat de beroepstermijn van drie maanden lopen vanaf de dag van de uitspraak (art. 426 lid 1 Rv Pro) [6] .
2.3
In de onderhavige zaak is eerst op 9 mei 2017 cassatieberoep ingesteld. Voor zover het verzoekschrift klachten richt tegen de toewijzing in de deelbeschikking van 19 januari 2017, is het cassatieberoep te laat ingesteld en daarom niet-ontvankelijk. Voor zover het cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van 9 februari 2017, is het tijdig ingesteld.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Onderdeel Iklaagt dat de rechtbank in de beschikking van 19 januari 2017 de machtiging voor de duur van één maand niet had mogen verlenen omdat de geneeskundige verklaring die is overgelegd bij het verzoek van de officier van justitie niet voldoet aan de vereisten van art. 5 Wet Pro Bopz.
Onderdeel IIklaagt dat de rechtbank in genoemde beschikking in strijd met de in art. 8 Wet Pro Bopz bedoelde hoorplicht heeft gehandeld, omdat de rechtbank niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om te trachten betrokkene daadwerkelijk te bereiken.
Onderdeel IIIvoert aan dat de rechtbank in de genoemde beschikking ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een geestelijke stoornis.
3.2
Deze drie onderdelen zijn uitsluitend gericht tegen de beschikking van 19 januari 2017. Om de hiervoor genoemde reden is het cassatieberoep tegen die beschikking te laat ingesteld. Deze klachten blijven verder onbesproken.
3.3
Onderdeel IVklaagt over een discrepantie tussen de beschikking van 19 januari 2017 waarin de rechtbank had geoordeeld dat verzoekster lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en, anderzijds, de beschikking van 9 februari 2017 waarin de rechtbank geen stoornis van de geestvermogens heeft aangenomen. Volgens het middelonderdeel is onbegrijpelijk dat – en waarom − de rechtbank ten aanzien van dezelfde persoon en op basis van feitelijk dezelfde gegevens zo verschillend heeft beslist. In elk geval heeft de rechtbank nagelaten in de beschikking van 9 februari 2017 te motiveren waarom zij aanvankelijk heeft gemeend tot vrijheidsbeneming te kunnen beslissen en enkele weken later geen stoornis van de geestvermogens aanwezig achtte.
3.4
Voor zover dit middelonderdeel zou zijn gericht tegen de beschikking van 19 januari 2017, is betrokkene om de hiervoor genoemde reden niet ontvankelijk in haar beroep. Voor zover dit middelonderdeel is gericht tegen de beschikking van 9 februari 2017 mist betrokkene belang bij deze klacht, omdat in laatstgenoemde beschikking het standpunt van betrokkene en haar advocaat is gevolgd en het verzoek van de officier van justitie is afgewezen. De rechtbank gaf in haar beschikking van 9 februari 2017 een oordeel over de geestelijke toestand waarin betrokkene op die datum verkeerde; niet over de geestelijke toestand waarin betrokkene zich bevond op 19 januari 2017. Van een innerlijk tegenstrijdig oordeel is om die reden geen sprake. Dat het oordeel op 9 februari 2017 ten aanzien van de aan- of afwezigheid van een stoornis van de geestvermogens inhoudelijk afweek van het oordeel op 19 januari 2017 vindt ook een verklaring in het feit dat ter zitting van 9 februari 2017 meer personen zijn gehoord en aan de rechtbank meer en andere informatie ter beschikking stond dan ter zitting van 19 januari 2017 het geval was.
3.5
De verwijzing in het cassatierekest (blz. 5) naar rov. 3.3.3 van HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553 m.nt. H.J. Snijders, waarin is beslist dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven,
maar niet in een einduitspraak vervatteeindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die beslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen, maakt het voorgaande niet anders. In dit geval gaat het om een partiële einduitspraak, namelijk een gedeeltelijke toewijzing door de rechtbank van de door de officier van justitie verzochte voorlopige machtiging, neergelegd in het dictum van de beschikking van 19 januari 2017. De wet biedt geen mogelijkheid om
bij wijze van voorlopige voorzieningeen machtiging tot vrijheidsbeneming te verlenen. Ik noteer dat een voorlopige voorziening in dit geval door geen van de procespartijen was verzocht. De omstandigheid dat het bepaalde in art. 223 Rv Pro overeenkomstig mag worden toegepast in rekestprocedures [7] brengt naar mijn mening geen verandering in het voorgaande: in de eerste plaats omdat de Wet Bopz (en t.z.t. de Wet verplichte ggz) in dit opzicht als een
lex specialisheeft te gelden die de algemene regel opzij zet [8] en in de tweede plaats omdat de toewijzing van een dergelijke voorlopige voorziening (een rechterlijke machtiging tot vrijheidsbeneming, die niet meer kan worden teruggedraaid) in feite zou neerkomen op een gedeeltelijke toewijzing van het hoofdverzoek. Onderdeel IV leidt om deze redenen niet tot cassatie.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover gericht tegen de beschikking van 19 januari 2017 en tot verwerping van het beroep voor zover gericht tegen de beschikking van 9 februari 2017.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv.

Voetnoten

1.Blijkens de tekst hiervan was aanvankelijk een geneeskundige verklaring opgemaakt ten behoeve van de aanvraag van een voorlopige machtiging in november 2016; deze aanvraag is ingetrokken. Op 21 december 2016 werd betrokkene opnieuw naar het ziekenhuis verwezen vanwege ‘verwardheid’.
2.Zie art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz.
3.Datum binnenkomst faxcopie. Het originele, door een advocaat bij de Hoge Raad ingediende cassatieverzoekschrift is op 10 mei 2017 ter griffie ontvangen.
4.Zie HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, NJ 2001/437, BJ 2001/37 m.nt. W. Dijkers.
5.Zie ook: de conclusie voor HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5795, JVggz 2012/41, (art. 81 RO Pro); HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:219, JVggz 2017/15 m.nt. W. Dijkers.
6.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 358, aantek. 11 (E.D. van Geuns en M.V.E.E. Jansen), onder verwijzing naar HR 22 oktober 1999, NJ 1999/797; Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 7, 2015/253.
7.Zie HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261 m.nt. W.D.H. Asser.
8.Voor spoedeisende gevallen voorziet de Wet Bopz, zoals bekend, in de mogelijkheid van een inbewaringstelling; zie art. 20 – 27 Wet Bopz.