Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
7.279 25.347
3.Het geding in cassatie
4.Belasting ‘verschuldigd’ door de inhoudingsplichtige
loonverminderd met de
reisaftrek(paragraaf 3.3.2).
loon: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, met dien verstande dat, voorzover nodig in afwijking van die bepalingen, fooien en dergelijke prestaties van derden in aanmerking worden genomen voor het werkelijk genoten bedrag.
Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997daadwerkelijk een eindheffing dient plaats te vinden. [18] In de memorie van toelichting is het navolgende hierover opgemerkt:
Keuzevrijheid inspecteur: opleggen naheffingsaanslag in de loonbelasting of correctie van de inkomstenbelasting (zonder verrekening)?
E [voormalig werkgever; A-G] een eindheffing op te leggen. Daaraan doet niet af dat aan dit voornemen slechts als gevolg van een administratieve fout geen uitvoering is gegeven. De stellingen van de gemachtigde dat daardoor gesproken moet worden van een ambtelijk verzuim dat aan navordering van inkomstenbelasting in de weg staat gaat reeds niet op vanwege de omstandigheid dat in het onderhavige geval geen navorderingsaanslag in het geding is. Evenmin kan op grond hiervan worden gezegd dat de inspecteur met de uiteindelijk gekozen wijze van heffing een onredelijk gebruik van zijn keuzevrijheid heeft gemaakt.