Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
€ 115.332
3.Het geding in cassatie
BNB1989/7). Van deze uitzonderingssituatie is hier geen sprake gelet op de aard van de problemen en de langdurige periode waarin de 'afgezonderde loonbelasting' bewust voor andere doeleinden werd gebruikt binnen de vennootschap. De vennootschap hield zich bezig met acquisitiefraude en was daarmee uitgebreid in het nieuws geweest. De debiteuren, die op valse wijze waren ontstaan, werden daardoor oninbaar. Binnen korte tijd was voor de situatie van inhoudingsplichtige geen oplossing beschikbaar. Naar de opvatting van de Staatssecretaris laten de feiten van het geding geen andere conclusie toe dan dat kwade trouw het geval is.
4.Verrekening loonbelasting met inkomstenbelasting
Wetteksten
BNB1981/305 en HR
BNB1981/306 heeft de Hoge Raad geoordeeld wat onder “inhouding” moet worden verstaan en ingeval niet is ingehouden onder welke voorwaarden toch verrekening van loonbelasting met inkomstenbelasting kan plaatsvinden: [6]
BNB1984/32 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als niet is ingehouden belanghebbende dient te bewijzen dat hij te goeder trouw was ter zake van de inhouding: [7]
BNB1984/32) geschreven dat dit arrest duidelijkheid geeft over de (naar zijn mening onredelijke) bewijslastverdeling ter zake van de vraag of de werknemer meende en mocht menen dat inhouding zou plaatsvinden:
BNB1985/149 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een inhoudingsplichtige niet reeds aan zijn verplichting tot inhouding heeft voldaan door op een loonbetaling een bedrag gelijk aan de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen in mindering te brengen, doch daarvoor is tevens nodig dat zulks geschiedt met het oogmerk het in mindering gebrachte bedrag als belasting en premies af te dragen: [10]
BNB1989/7 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetenschap van belanghebbende dat de vennootschap niet aan haar verplichting tot afdracht voldeed, uitsloot dat hij te goeder trouw mocht menen dat zij aan haar verplichting tot inhouding zou voldoen. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt indien kan worden aangenomen dat belanghebbende ten tijde waarop de onderscheidene inhoudingen moesten plaatsvinden redelijkerwijs mocht menen dat de financiële moeilijkheden waarin de vennootschap verkeerde van zo voorbijgaande en weinig ingrijpende aard waren dat binnen korte tijd een oplossing daarvoor beschikbaar zou komen: [12]
Van Nispen tot Sevenaergeschreven over de speciale positie van de directeur groot aandeelhouder: [13]
Vakstudie Nieuwsheeft in haar noot geschreven dat van de werknemer wordt geëist dat de werknemer niet alleen te goeder trouw van mening moet zijn dat de afdracht zal plaatsvinden, doch ook moet menen dat die afdracht op tijd zal geschieden
: [14]
BNB2004/65 [15] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat inhouding c.q. afdracht van loonbelasting twee afzonderlijke begrippen zijn:
BNB2011/118 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daadwerkelijke afdracht van loonbelasting geen voorwaarde is om van inhouding te kunnen spreken: [19]
5.Naheffing loonbelasting
Wetteksten
BNB2007/82 meent A-G Van Ballegooijen dat er geen grond is om het eindheffingsregime toe te passen indien de verschuldigde belasting wel is ingehouden door de inhoudingsplichtige, maar niet is afgedragen aan de fiscus: [30]
BNB2007/82 dat de wettekst ten aanzien van de onderhavige problematiek helder is. Voorts meent hij dat de wet aanpassing behoeft ingeval wel is ingehouden maar niet is afgedragen: werknemers worden in zo’n geval niet bevoordeeld zodat voor toepassing van eindheffing elke grond ontbreekt: [35]
Vakstudie Nieuwsheeft in de noot onder dit arrest geschreven dat een verzoek om eindheffing achterwege te laten gehonoreerd zou moeten worden: [36]
BNB2007/82. Het wel toepassen van de eindheffingsregeling is volgens de redactie van FutD in een dergelijke situatie niet alleen in strijd met het op de historie gebaseerde gezonde verstand, maar is ook in strijd met de wet: [38]
BNB2009/195 geschreven dat toepassing van eindheffing (tegen tabeltarief) zou leiden tot een hogere naheffing dan het afdrachtverschil: [41]
BNB2011/118 [43] meent A-G Van Ballegooijen dat eindheffing niet is bedoeld als de belasting reeds is ingehouden ten laste van de belastingplichtige en alleen niet is afgedragen:
BNB2017/111 geeft de Hoge Raad de strekking van de vrijstelling van art. 3:84, lid 1, Wet IB 2001 weer: [44]
6.Beoordeling van het middel
nietaan te merken als eindheffingsbestanddeel. [63] Immers voor het geval het loon
welals eindheffingsbestanddeel zou zijn aangemerkt, bepaalt artikel 3.84, lid 1, Wet IB 2001 dat voor de inkomstenbelasting niet tot het loon behoren ‘voordelen waarover de belasting op grond van artikel 31 (…) van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige (…)’. [64] In dat geval zou belanghebbende dus in zijn geheel geen recht hebben op verrekening van de – als eindheffing – bij BV nageheven loonbelasting. [65]
BNB2007/82 heeft de Hoge Raad geoordeeld “Vast staat dat belanghebbende over het loon van de betrokken werknemers geen loonbelasting heeft betaald. Daaruit volgt dat de regeling van artikel 31 van Pro toepassing is ten aanzien van dat loon. De omstandigheid dat wel een bedrag aan loonbelasting is ingehouden doet daaraan, gelet op de duidelijke tekst van de wet, niet af”. [66]
BNB2004/65 betrekking had. [69] De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat als loonbelasting ter zake van het in de aanslag begrepen loon is nageheven,
welrecht op verrekening bestond. Deze jurisprudentie heeft zijn gelding voor de jaren vanaf de invoering van het eindheffingsregime verloren.
nietsprake is van inhouding, kan alsnog recht op verrekening van de loonbelasting met de inkomstenbelasting bestaan indien de belanghebbende te goeder trouw was ter zake van de inhouding. [77] Ook dit betoog kan de Staatssecretaris niet baten.