ECLI:NL:HR:2007:BA1519

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/024HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering uit ongerechtvaardigde verrijking na ontbinding bouwovereenkomst woonhuis

In deze zaak stond een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking centraal na ontbinding van een overeenkomst tot ontwerpen en bouwen van een woonhuis dat niet was afgebouwd. Eiseres had bouwkundige kosten gemaakt en stelde dat verweerder verrijkt was doordat hij slechts een deel van de aanneemsom had betaald, terwijl de waarde van het onafgebouwde huis hoger was.

De rechtbank kende eiseres een deel van de gevorderde vergoeding toe, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af. Het hof overwoog dat verweerder de overeenkomst met de oorspronkelijke contractpartij had gesloten en dat de bouw was stilgelegd door omstandigheden buiten zijn schuld. Bovendien had verweerder het huis door een derde laten afbouwen tegen hogere kosten dan de aanneemsom.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat geen sprake was van ongerechtvaardigde verrijking jegens verweerder. Voor een vordering op grond van indirecte verrijking is slechts ruimte tot het positieve saldo van de aanneemsom minus reeds betaalde bedragen en kosten voor voltooiing. Omdat deze kosten hoger waren dan de aanneemsom, was er geen positief saldo. Het beroep van eiseres werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt verworpen en de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen.

Uitspraak

22 juni 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/024HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 19 november 2001 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Leeuwarden en gevorderd aan [eiseres] een bedrag te voldoen van € 215.681,66 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd [eiseres] te veroordelen aan hem een bedrag van € 32.097,45 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente en, op straffe van een dwangsom, [eiseres] te veroordelen binnen acht dagen na het te wijzen vonnis het door haar gelegde beslag op de onroerende zaak van [verweerder] aan [a-straat 1] te [plaats] op te heffen, althans door te halen.
[Eiseres] heeft de vordering in reconventie bestreden.
Na vier tussenvonnissen van 30 januari 2002, 8 mei 2002, 12 maart 2003 en 3 september 2003, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 15 september 2004 [verweerder] veroordeeld om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 45.322,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 1999. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen de vonnissen van 8 mei 2002, 12 maart 2003, 3 september 2003 en 15 september 2004 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Na een daartoe door [verweerder] ingestelde vordering heeft het hof bij arrest van 8 december 2004 de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 september 2004 geschorst.
Bij arrest van 17 augustus 2005 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen en het door [eiseres] gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van [verweerder] opgeheven.
Het arrest van 17 augustus 2005 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 17 augustus 2005 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie nog van belang, om het volgende. [Verweerder] heeft [betrokkene 1] op 30 januari 1998 opdracht gegeven een huis voor hem te ontwerpen en te bouwen voor een bedrag van ƒ 250.000,--. De feitelijke bouwwerkzaamheden zijn verricht door Bouw '75, dat daartoe een overeenkomst heeft gesloten met [eiseres] In december 1998 heeft Bouw '75 de werkzaamheden gestaakt omdat zij niet (meer) betaald kreeg. [Verweerder] heeft de overeenkomst van opdracht met [betrokkene 1] ontbonden. Op dat moment was de bouw van het huis niet voltooid en had [verweerder] daarvoor een bedrag van ƒ 72.922,38 betaald. Ten aanzien van [betrokkene 1] is op 27 mei 1999 toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2 Aan haar vordering tot betaling door [verweerder] van ƒ 475.299,38 wegens ongerechtvaardigde verrijking heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij voor de bouw van de woning bouwkundige kosten heeft gemaakt ten bedrage van, inclusief 10% winstopslag, ƒ 548.222,20, dat zij verarmd is met een bedrag van ƒ 548.222,20 - ƒ 72.922,38 = ƒ 475.299,82 en dat [verweerder] verrijkt is met een bedrag van ƒ 527.077,62 nu hij slechts ƒ 72.922,38 voor de onafgebouwde woning heeft betaald, terwijl de waarde daarvan ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst ten minste ƒ 600.000,-- was. De rechtbank heeft deze vordering toewijsbaar geacht tot een bedrag van € 45.322,49, maar het hof heeft de vordering alsnog afgewezen. Het hof overwoog daartoe dat een eventuele verrijking van [eiseres] niet als ongerechtvaardigd valt aan te merken gezien de volgende feiten en omstandigheden:
(i) [Verweerder] heeft onderhavige overeenkomst gesloten met [betrokkene 1] en niet met [eiseres];
(ii) De bouw van het huis is medio december 1998 stilgelegd door omstandigheden die geheel buiten [verweerder] waren gelegen;
(iii) De overeenkomst met [betrokkene 1] is vervolgens ontbonden met instemming van laatstgenoemde;
(iv) [Verweerder] heeft daarop het huis door een derde laten afbouwen tegen een aanzienlijk hoger bedrag dan met [betrokkene 1] was overeengekomen;
(v) Nadat de schuldsanering particulieren op [betrokkene 1] van toepassing was verklaard heeft [betrokkene 1] zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] de contractuele wederpartij van [verweerder] is;
(vi) Toen dat standpunt geen stand hield, is [eiseres] voor het anker van ongerechtvaardigde verrijking gaan liggen.
3.3 Het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat het bestreden oordeel dat aan [eiseres] geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens [verweerder] toekomt, op de volgende grond juist is.
In dit geval van indirecte verrijking zou voor een op art. 6:212 BW Pro gebaseerde vordering slechts plaats zijn tot ten hoogste het positieve saldo dat mogelijk resteert nadat de overeengekomen aanneemsom (ƒ 250.000,--) is verminderd met hetgeen van die aanneemsom reeds is voldaan (ƒ 72.922,38) en met hetgeen [verweerder] nog aan [betrokkene 1] verschuldigd mocht zijn in verband met de ontbinding van de overeenkomst, alsmede met de kosten die [verweerder] als opdrachtgever aan een derde verschuldigd werd voor het voltooien van het huis. Van een zodanig positief saldo is evenwel geen sprake, nu in cassatie moet worden uitgegaan van de juistheid van het oordeel van het hof dat die kosten meer hebben bedragen dan de aanneemsom.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 juni 2007.