Conclusie
Gevoerde verweren en bewijsoverweging
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor doodslag en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof oordeelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door een kogel zou overlijden, omdat hij een geladen vuurwapen op het slachtoffer richtte en de trekker overhaalde.
De verdediging stelde dat het vuurwapen per ongeluk afging, dat verdachte dacht dat het wapen op veilig stond en dat hij de trekker niet bewust overhaalde. Deskundigen verklaarden dat het wapen niet spontaan kon afgaan zonder menselijke handeling. Het hof concludeerde dat verdachte bewust of onbewust de trekker heeft overgehaald, maar dat het bewijs voor bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op overlijden onvoldoende was.
De Hoge Raad bevestigde dat voorwaardelijk opzet vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg aanvaardt. Uit het dossier bleek dat verdachte het wapen meerdere malen had gebruikt en wist hoe de veiligheid werkte. Toch ontbrak het aan voldoende aanwijzingen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op overlijden heeft aanvaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De zaak bevat uitgebreide overwegingen over het onderscheid tussen voorwaardelijk opzet, bewuste schuld en roekeloosheid, en benadrukt dat het bewijs voor voorwaardelijk opzet niet louter op uiterlijke gedragingen mag worden gebaseerd zonder voldoende concrete aanwijzingen. De Hoge Raad herhaalt relevante jurisprudentie en benadrukt de hoge eisen aan bewijs voor roekeloosheid en voorwaardelijk opzet bij levensberoving.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.