Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 Wet Pro Werk en Bijstand (hierna: WWB) heeft gehad met zijn moeder, nu niet zou zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.
4.3.1 De feiten
tweede middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van opzet bij de verdachte dan wel dat, zo al sprake zou zijn geweest van een gezamenlijke huishouding, zijn opzet erop was gericht dat de gezamenlijke huishouding geheel of ten dele werd bekostigd met het uit misdrijf verkregen geld.