Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake bijstandsfraude. Verdachte werd verweten opzettelijk voordeel te hebben getrokken uit door misdrijf verkregen geld, namelijk de bijstandsuitkering die zijn partner ontving zonder juiste inlichtingen te verstrekken.
Het hof had vastgesteld dat verdachte en zijn partner feitelijk samenwoonden en dat verdachte gebruik maakte van het geld dat werd besteed aan het gezamenlijke huishouden. De bewijsvoering bestond uit verklaringen van sociale recherche, gemeentelijke formulieren en registratie van voertuigen op naam van de partner.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte wist van de onjuiste gegevensverstrekking door zijn partner en dat het geld door misdrijf was verkregen. Daarmee ontbrak het vereiste opzet om voordeel te trekken uit misdrijf. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor het opzetvereiste bij het voordeel trekken uit misdrijf en dat het enkel samenwonen en gebruik maken van gezamenlijke middelen onvoldoende is om opzet aan te nemen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug wegens onvoldoende bewijs van opzet.