Boer heeft in
BNBhet volgende geannoteerd bij het verwijzingsarrest:
Tweetrapsraket
1. In deze zaak gaat het om een aanvraag tot toekenning van de status als algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) door [X] voor het jaar 2008. Op basis van art. 6.33 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 (tekst 2008) komen de volgende instellingen in aanmerking voor de ANBI-status: ‘kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen’. Deze opsomming is slechts indicatief. Instellingen van kerkelijke en levensbeschouwelijke aard zijn dus niet qualitate qua als ANBI aan te merken.
2. Deze zaak die – na HR 7 november 2003, nr. 38 049, BNB 2004/30 – het ‘tweede [X] -arrest’ zal worden genoemd, bevat belangwekkende inzichten omtrent de wijze waarop de Hoge Raad beoordeelt of sprake is van een ANBI, en de rol die commerciële activiteiten daarbij spelen. Deze punten zal ik hierna bespreken. Ter afsluiting veroorloof ik mij een opmerking over het cassatieberoepschrift.
3. De beoordeling of sprake is van een ANBI geschiedt aan de hand van een tweetrapsraket (HR 13 januari 2012, nr. 10/03464, BNB 2012/89c*). In de eerste plaats is vereist dat de instelling het algemeen nut beoogt (kwalitatief criterium) en in de tweede plaats dat het algemeen belang door de werkzaamheden van die instelling in minstens gelijke mate wordt gediend als een particulier belang (kwantitatief criterium). Het eerste criterium brengt het ideële karakter van de instelling tot uitdrukking (‘het goede doel’), het tweede criterium betreft de uitvoering (‘het goede doen’).
Kwalitatieve toets
4. Aan het kwalitatieve criterium is voldaan, zo expliciteert de Hoge Raad in BNB 2012/89c* (r.o. 3.3.2), indien de werkzaamheden van de instelling “rechtstreeks erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen (vgl. HR 12 mei 2006, nr. 40 684, BNB 2006/267)”. Of algemeen nut wordt beoogd, kan onder meer worden vastgesteld aan de hand van de statuten van de instelling, het juridische kader waarbinnen de instelling opereert alsmede het rechtstreekse object van de werkzaamheden.
5. Kan van kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen worden gezegd dat zij rechtstreeks zijn gericht op het algemeen belang? Hof Amsterdam beantwoordde deze vraag bevestigend ten aanzien van de belanghebbende en verwees daarvoor naar de volgende opmerking in de memorie van toelichting bij de herziene Successiewet 1956:
“Bij kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties wordt van oudsher impliciet aangenomen, overigens bevestigd in de jurisprudentie, dat zij zich volledig richten op het algemeen belang. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het om louter kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen gaat. Met louter kerkelijk of levensbeschouwelijk wordt bedoeld dat onder kerkelijk[e] en levensbeschouwelijke instellingen bijvoorbeeld geen organisaties worden begrepen waarvan de activiteiten voor een belangrijk deel bestaan uit actievoeren of uit (semi)commerciële activiteiten zoals het tegen betaling geven van cursussen of het verkopen van cursusmateriaal, ook al heeft dat een religieus of levensbeschouwelijk karakter.”
6. Ik acht deze verwijzing om twee redenen ongelukkig. In de eerste plaats betreft het een verwijzing naar de parlementaire behandeling van wetgeving die geldt voor jaren vanaf 2010. Onderhavige zaak heeft echter betrekking op het jaar 2008 (in welk jaar het ANBI‑register werd ingevoerd). Nu hoeft dat – zo kan de gedachtegang van het rechtscollege zijn geweest – geen belemmering te vormen. De bewindsman beschrijft in het citaat immers nadrukkelijk een lijn in de rechtspraak (‘van oudsher (…) bevestigd in de jurisprudentie’). Die koers zou dan ook voor het jaar 2008 moeten gelden. Dat moge zo zijn, het had mijns inziens de voorkeur verdiend indien het Hof de bedoelde lijn in de rechtspraak zelfstandig zou hebben vastgesteld.
7. In de tweede plaats is het citaat ongelukkig gekozen, nu daaruit duidelijk naar voren komt dat de wetgever de lijn in de rechtspraak beperkt opvat. De beschreven lijn geldt volgens de wetgever uitsluitend voor ‘louter’ kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen; een onderscheid dat in de rechtspraak als zodanig niet is terug te vinden. Sterker nog, de wetgever lijkt in de laatste volzin van het citaat zelfs nadrukkelijk instellingen die tegen commerciële prijzen cursussen verzorgen – zoals [X] – te hebben willen uitsluiten van de geformuleerde hoofdregel. Ook om die reden acht ik het ongelukkig dat het Hof dit citaat aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.
8. Hoezeer ook de bedoelde verwijzing ‘ongelukkig’ kan worden genoemd, belangrijker is de vraag of de daaruit getrokken conclusie onjuist is. Daarover – zo kan het Hof worden toegegeven – kan genuanceerd worden gedacht, althans genuanceerder dan de stelligheid waarmee de Hoge Raad het Hofoordeel terzijde stelt in r.o. 2.4.2:
“Anders dan het Hof tot uitgangpunt heeft genomen, geldt ook voor een kerkelijke of levensbeschouwelijke instelling dat zij (…) slechts dan als een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als haar werkzaamheden rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen belang te dienen en met het totaal van die werkzaamheden het algemeen belang minstens in gelijke mate als een particulier belang wordt gediend.”
9. Volgens de Hoge Raad dienen bij kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen dus het kwalitatieve criterium én het kwantitatieve criterium zelfstandig te worden getoetst. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 7 november 2003, nr. 38 049, BNB 2004/30 en HR 12 mei 2006, nr. 40 684, BNB 2006/267c*. Hierbij merkt de Hoge Raad op dat het verzorgen van auditing en trainingen niet zonder meer tot de gevolgtrekking leidt dat de daarmee samenhangende werkzaamheden rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen belang te dienen. Maar hoe verhoudt deze rechtsregel – inclusief verwijzingen – zich dan tot de door de Staatssecretaris van Financiën beschreven lijn in het citaat, die naar zijn zeggen in de jurisprudentie is bevestigd? In dat kader is van belang wat nu precies in de genoemde arresten is beslist. Ik zet dat hierna uiteen.
10. In BNB 2004/30, een zaak die ook betrekking had op [X] (hierna: [X] ), overwoog de Hoge Raad:
“3.3. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. In cassatie is onbestreden dat [X] is aan te merken als een kerkelijke of levensbeschouwelijke instelling (…). Dit brengt echter niet mee dat [X] noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling; het heeft wel tot gevolg dat als komt vast te staan dat de werkzaamheden ongeveer in gelijke mate het algemene en een particulier belang dienen, de instelling moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling (HR 13 juli 1994, nr. 29 936, BNB 1994/280).”
11. In BNB 2006/267c*, waarin het een profvoetbalclub betrof, valt te lezen:
“3.2. (…). Door voormelde categorieën van instellingen met name te noemen heeft de wetgever slechts tot uitdrukking gebracht dat werkzaamheden van kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele of wetenschappelijke aard voor de toepassing van de Wet in beginsel geacht worden met het oog op het algemeen belang te worden verricht. Evenwel heeft voor alle soorten instellingen gelijkelijk te gelden dat zij slechts kunnen worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling, indien – afgezien van het hierna (…) nog aan de orde komende vereiste [het kwalitatieve vereiste, JPB] – komt vast te staan dat door hun werkzaamheden het algemeen belang minstens in gelijke mate als een particulier belang gediend wordt.”
12. Beide overwegingen hebben betrekking op het kwantitatieve element (het algemeen belang dienen) en houden in dat ook bij instellingen van kerkelijke en levensbeschouwelijke aard dient te worden vastgesteld of de werkzaamheden het algemeen belang minstens in gelijke mate dienen als een particulier belang. Ten aanzien van het oogmerk, de rechtstreekse gerichtheid op het algemene belang, gaan beide overwegingen uit van de gedachte dat bij kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen aan het kwalitatieve vereiste is voldaan, indien het algemene belang in minstens gelijke mate wordt gediend als een particulier belang. Deze conclusie sluit aan bij de overweging uit het eerste Brassbandarrest (HR 13 juli 1994, nr. 29 930, BNB 1994/280*):
“4. (…). De (…) aan de woorden “of het algemeen nut beogende instelling” voorafgaande vermelding van kerkelijke, charitatieve, culturele en wetenschappelijke instellingen behelst slechts een niet limitatieve opsomming van categorieën van instellingen die het algemeen nut kunnen – en veelal zullen – beogen. Aan die opsomming komt derhalve niet de betekenis toe dat een tot één van die categorieën te rekenen instelling ook noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling. Een en ander heeft wel tot gevolg dat als komt vast te staan dat de werkzaamheden ongeveer in gelijke mate het algemene en een particulier belang dienen, de instelling moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling.”
13. Naar het mij voorkomt, wijkt de wijze waarop de Hoge Raad de kwalitatieve toets thans aanlegt af van de lijn in de aangehaalde arresten, aangezien ook de gerichtheid op het algemeen nut zelfstandig dient te worden aangetoond. Klaarblijkelijk kan uit het in gelijke mate dienen van het algemene belang en een particulier belang de gerichtheid op het algemene belang niet meer worden afgeleid. Het gevolg is een afwijking ten opzichte van de door de wetgever uit de oude rechtspraak getrokken conclusie en – in het verlengde daarvan – de gevolgtrekking die het Amsterdamse Hof daaraan verbond. Dit punt leidt reeds tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, en de Hoge Raad verwijst voor nader onderzoek. Overigens had de verwijzingsopdracht in r.o. 2.4.6 ten aanzien van de kwalitatieve toets wel iets specifieker gemogen.
14. Houdt deze uitspraak een verscherping in ten opzichte van bestaande rechtspraak? In zeker opzicht wel, ook al lijkt het mij niet goed mogelijk het beogen en het dienen van het algemene belang volstrekt geïsoleerd te onderzoeken. In alle gevallen dient evenwel zelfstandig aannemelijk te worden gemaakt dat de werkzaamheden van de instelling rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen belang te dienen. Ik heb met deze invulling geen moeite; iedere instelling die gebruik wil maken van het preferentiële ANBI-regime zou de kwalitatieve toets met glans moeten (willen) doorstaan. In de overgrote meerderheid van gevallen zal overigens ook volstrekt duidelijk zijn dat het algemene nut wordt beoogd door kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen. Lastige discussies liggen natuurlijk altijd op de loer, maar doen zich waarschijnlijk slechts marginaal voor. Overigens ligt het zwaartepunt in praktische zin (nog steeds) bij de kwantitatieve toets. Indien een instelling aannemelijk maakt dat zij met haar werkzaamheden voor ten minste (thans) 90% het algemene belang dient, ligt het niet voor de hand dat toekenning op basis van de kwalitatieve toets wordt geweigerd. In zoverre zal het praktische verschil met de oude beoordelingswijze dus beperkt zijn.
15. Een interessante vraag is nog of de Hoge Raad ten aanzien van het ANBI-regime van ná 2010 – dus ná de opmerking van de wetgever – een andere koers zal varen. Ik acht die kans zeer gering. De wijze van toetsing aan de ANBI-criteria is op zichzelf beschouwd – dus afgezien van inhoudelijke aanpassingen van het ANBI-regime – niet veranderd. De wijze waarop de Hoge Raad in deze zaak aan de ANBI criteria toetst, werkt dan ook één-op-één door naar de huidige ANBI-wetgeving, niettegenstaande de achteraf onjuist gebleken veronderstellingen aan de zijde van de wetgever.
Kwantitatieve toets
16. In r.o. 2.2.4 en 2.2.5 gaat de Hoge Raad in op de kwantitatieve toets: het dienen van het algemeen belang. Hij haakt daarvoor aan bij het eerste [X] -arrest (BNB 2004/30). Ten aanzien van de commerciële activiteiten van belanghebbende – auditing en trainingen – heeft, zo preciseert de Hoge Raad, als regel te gelden dat “activiteiten waarvoor in beginsel een commerciële prijs wordt gerekend, zijn aan te merken als activiteiten die primair particuliere belangen dienen, ook als deze activiteiten een onderdeel vormen van de religieuze beleving”. In het licht van deze rechtsregel weegt de Hoge Raad de door het Hof genoemde omstandigheden (a) dat leden van belanghebbende ook kosteloos bijeenkomsten organiseren voor auditing en trainingen en (b) dat belanghebbende bereid is minvermogenden tegemoet te komen door de voor de activiteiten verschuldigde bedragen te matigen of kwijt te schelden. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat met de werkzaamheden het algemene belang minstens in gelijke mate wordt gediend als particuliere belangen, aldus de Hoge Raad. Voorts merkt de Hoge Raad op dat de omstandigheid dat de betalingen voor auditing en trainingen eveneens zijn bedoeld om andere (kerkelijke) activiteiten te financieren, hieraan niet afdoet: “Al deze omstandigheden sluiten namelijk, ook tezamen genomen, niet uit dat de tariefstelling voor de door belanghebbende verrichte diensten commercieel is”, zo besluit de Hoge Raad zijn overwegingen.
17. Maar wat staat hier nu precies? Deze overweging is in eerste instantie op te vatten als een vuistregel: activiteiten die tegen een commerciële prijs worden verricht, dienen in beginsel een particulier belang, ook als deze activiteiten deel uitmaken van een algemeen nuttig geheel (i.c. levensbeschouwelijke activiteiten). Dit lijkt mij in algemene zin een juist vertrekpunt dat de ANBI-aanvrager dwingt tot een nadere motivering. Activiteiten die tegen marktconforme prijs worden verricht, dienen in beginsel het particuliere belang van de instelling.
18. Het is overigens niet gezegd dat het ontplooien van commerciële activiteiten het nastreven van een algemeen belang per definitie in de weg staat. In dit verband kan worden gewezen op de driedeling die door Moltmaker is aangebracht in onderdeel 2.8 van zijn conclusie bij HR 18 december 1985, nr. 22 937, BNB 1986/103c*. Hij onderscheidt de volgende situaties: (i) de commerciële activiteiten staan los van de ideële doelstelling en dienen ter dekking van de (overhead)kosten, (ii) de commerciële activiteiten trachten de ideële doelstelling te bevorderen en (iii) de commerciële activiteiten dienen ter verwezenlijking van het algemene belang.
19. De eerste en tweede categorie acht Moltmaker mijns inziens terecht niet prohibitief voor de ANBIstatus. Het dienen van het algemene nut staat of valt niet met de commerciële activiteit. Indien de verkregen middelen ten behoeve van het algemene belang worden aangewend, kan tegen het ontplooien van deze commerciële activiteiten weinig tot geen bewaar bestaan. Deze vorm van de ‘eigen broek ophouden’ wordt thans ook door de wetgever aangemoedigd. Zo is tijdens de parlementaire behandeling van de herziene Successiewet het volgende opgemerkt:
“Van belang is (…dat de opbrengsten van (…) de activiteiten van anbi’s worden besteed aan het algemene belang. Hoe de opbrengsten worden behaald is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.”
Alhoewel de laatste volzin mij net even wat te losjes lijkt te zijn geformuleerd, moet het citaat aldus worden begrepen dat het ontplooien van commerciële activiteiten niet prohibitief is voor de ANBIstatus, indien de opbrengsten worden besteed aan het algemene belang dat de instelling nastreeft. In het kader van de Geefwet heeft het kabinet deze benadering overigens verder doorgevoerd en vormgegeven in art. 1a Uitv.reg. AWR.
20. Vanuit dit perspectief heb ik moeite met de beslissing van de Hoge Raad, en dan vooral met de opmerking dat het feit dat de opbrengsten van de auditing en trainingen eveneens zijn bedoeld om andere (kerkelijke) activiteiten te financieren, hieraan niet afdoet. Hierover zou men toch anders kunnen denken. Ook de slotopmerking dat al deze omstandigheden, ook tezamen genomen, niet uitsluiten dat de tariefstelling voor de door belanghebbende verrichte diensten commercieel is, zegt mij niet zo veel. Belangrijker dan de tariefstelling is mijns inziens het antwoord op de vraag waaraan de opbrengsten worden besteed. Als die besteding de ideële doelstelling van de instelling dient, dan zou de commerciële activiteit wat mij betreft geen obstakel mogen vormen voor toekenning van de ANBI-status.
21. De derde categorie die Moltmaker noemt, ligt daarentegen lastiger. Indien een instelling streeft naar het behalen van winst, sluit dat als zodanig het dienen van het algemeen belang uit. Om die reden is een commerciële kinderopvangorganisatie geen ANBI, hoezeer een dergelijke instelling de werkgelegenheid in algemene zin ook moge bevorderen. Hetzelfde geldt voor een profvoetbalclub die, ondanks het plezier dat grote groepen voetballiefhebbers hieraan ontlenen, primair het eigen (sportieve) belang nastreeft (BNB 2006/267). Het beogen van het particuliere belang van de instelling staat dan als hoofddoel voorop.
22. In de rechtspraak zijn echter uiteenlopende beslissingen te vinden, waarbij de ANBIstatus wordt toegekend aan instellingen die commerciële activiteiten verrichten als middel om het algemene belang te (kunnen blijven) dienen. Bij deze beoordeling gaat het niet zozeer om de mate waarin de particuliere belangen zich in rekenkundig opzicht tot het algemene belang verhouden, aangezien (vrijwel) ieder algemeen belang via particuliere belangen tot uitdrukking komt. De activiteiten moeten in een dergelijk geval in hun totaliteit worden beoordeeld (HR 8 januari 1997, nr. 31 591, BNB 1997/67) als middel ter verwezenlijking van de ideële doelstelling van de instelling (BNB 2012/89c*). Te denken valt aan seniorenvervoer, sociale woningverhuur en het uitgeven van educatiemateriaal. Het (feitelijk) ontbreken van een winstoogmerk is in dergelijke gevallen een belangrijke randvoorwaarde voor de conclusie dat – ondanks het berekenen van (commerciële) prijzen – het dienen van een algemeen belang voorop staat. Voor zover de commerciële activiteiten van belanghebbende, bestaande uit auditing en training, onlosmakelijk verbonden zijn met het bevorderen van de spirituele groei, en de opbrengsten worden besteed aan de ideële doelstelling, zou het berekenen van commerciële prijzen op zichzelf geen sta-in-de-weg behoeven te vormen voor de ANBIstatus.
23. Alles overziende, lijkt het mij dat commerciële activiteiten niet prohibitief zouden moeten zijn voor de ANBI-status, indien (i) het dienen van de ideële doelstelling ondanks deze commerciële activiteiten voorop staat en (ii) de daarmee gegenereerde opbrengst wordt aangewend ten behoeve van dat algemene belang. Om de woorden van de Staatssecretaris van Financiën nog maar eens aan te halen: “hoe de opbrengsten worden behaald is daarbij niet van doorslaggevende betekenis”.