De zaak betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de Scientology Kerk Amsterdam werd aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (ANBI) volgens artikel 6.33 Wet IB 2001 en artikel 41a Uitvoeringsregeling IB 2001.
Het Hof had geoordeeld dat de kerkelijke activiteiten van belanghebbende, waaronder auditing en trainingen, onderdeel waren van de religieuze beleving en dat deze activiteiten geen commercieel karakter hadden. Het Hof concludeerde dat de kerk ten minste voor 50% het algemeen belang diende, waardoor de ANBI-status werd toegekend.
De Hoge Raad stelt dat ook kerkelijke instellingen slechts als ANBI kunnen worden aangemerkt indien het algemeen belang minstens in gelijke mate wordt gediend als het particuliere belang. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de commerciële tarieven voor auditing en trainingen niet primair particuliere belangen dienen. Het Hof heeft nagelaten het commerciële karakter van deze tarieven te beoordelen en heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat commerciële activiteiten het algemeen belang kunnen ondermijnen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor een volledige beoordeling van de vraag of de activiteiten van belanghebbende het algemeen belang minstens in gelijke mate dienen als het particuliere belang. Tevens dient het verwijzingshof andere niet behandelde geschilpunten te behandelen.