Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake is van een “(poging) diefstal door twee of meer verenigde personen”, aangezien het hof niet afdoende heeft vastgesteld dat de verdachte daarvoor een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.
(i) Een op 13 april 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:
NJ2015/393 m.nt. Mevis. In die zaak had de verdachte twee medeverdachten naar de plaats van het delict gebracht, was hij met draaiende motor in de auto blijven wachten en had hij een vrije vluchtweg willen creëren voor de medeverdachten. Daarbij ging het volgens de Hoge Raad om gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. [6] Ook het op de uitkijk staan is door de Hoge Raad aangemerkt als een gedraging die met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht. [7] Nu de bijdrage van de verdachte aan de poging tot inbraak heeft bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, behoefde de bewezenverklaring van het medeplegen een nauwkeurige motivering.
NJ2015/391, m.nt. Mevis kan worden afgeleid dat aan het voorafgaande niet afdoet dat de bijdrage van de verdachte niet is beperkt tot één enkele gedraging, maar bestaat uit verschillende gedragingen die met medeplichtigheid worden geassocieerd. Het hof had in die zaak bij zijn oordeel dat sprake was van medeplegen van een gewapende overval vooral betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte de bestuurder was geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten had opgewacht en twee weken vóór de overval betrokken was geweest bij een voorverkenning van de plaats van het delict. De Hoge Raad oordeelde in het licht van de hiervoor weergegeven vooropstellingen dat het hof zijn oordeel dat niet sprake was van medeplichtigheid maar van medeplegen ontoereikend had gemotiveerd. Anders dan de annotator bij dit arrest, kan ik in de overwegingen van de Hoge Raad geen twijfel lezen of de aanwezigheid van de verdachte in de omgeving van de plaats van het delict twee weken voor de overval wel kon worden aangemerkt als betrokkenheid bij een voorverkenning. Die feitelijke vaststelling van het hof heeft de Hoge Raad in zijn beoordeling juist tot uitgangspunt genomen. Niettemin heeft het arrest vragen opgeroepen. [8] In elk geval kan daaruit worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zowel in de voorfase als in de afhandeling van het delict gedragingen heeft verricht nog niet meebrengt dat daarmee het oordeel dat sprake is van medeplegen en niet van medeplichtigheid voldoende is gemotiveerd.
NJ2015/391, m.nt. Mevis, heeft de verdachte in de onderhavige zaak dus niet alleen een rol gespeeld in het kader van de voorverkenning en bij het faciliteren van de vlucht. Tijdens de uitvoering van het feit heeft de verdachte in de onmiddellijke nabijheid van de woning een andersoortige bijdrage aan het feit geleverd door op de uitkijk te staan. Daarbij komt dat de verdachte en zijn medeverdachten in de onderhavige zaak zowel voorafgaand aan het delict als na afloop daarvan samen zijn opgetrokken: zij zijn alle vier betrokken geweest bij de voorverkenning, samen naar de woning gegaan om daar te proberen in te breken en direct na het feit samen in de beoogde vluchtauto aangetroffen. Uit de bewijsvoering komt aldus het planmatig karakter van de inbraak naar voren, terwijl daaruit blijkt van een intensieve samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. De verdediging heeft niet betoogd dat de verdachte zich van het feit zou hebben gedistantieerd, terwijl de bewijsvoering daarop evenmin duidt. Het hof heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning ten tijde van de poging tot inbraak. Hetzelfde geldt ten aanzien van de rolverdeling bij de poging tot inbraak. Het hof heeft aldus kunnen oordelen dat de verdachte met zijn handelingen voorafgaand, tijdens en na de aanwezigheid bij de woning, in onderlinge samenhang bezien, een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.