In deze zaak staat centraal of het gerechtshof Amsterdam ambtshalve een korte termijn moest verlenen voor het indienen van een memorie van grieven onder het pilotreglement dat sinds 1 januari 2013 geldt. Eisers, voormalig hoogleraren psychiatrie, voerden cassatie tegen een arrest dat hen niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig dienen van grieven.
De feiten betreffen een langdurig conflict over de verdeling van inkomsten uit particuliere patiëntenzorg binnen een academisch ziekenhuis, waarbij eisers PWC beschuldigden van onrechtmatige rapportages. Na diverse procedures werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet dienen van grieven binnen de gestelde termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt tussen het voorkomen van onredelijke vertraging en de gevolgen van strikte naleving van het pilotreglement. Volgens de Hoge Raad moet in een dergelijke bijzondere situatie ambtshalve een termijn van veertien dagen worden verleend om het verzuim te herstellen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en de rolbeslissing en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling conform deze maatstaf.