Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
De Rechtbank
4.Het geding in cassatie
VDP Dental Laboratory, X BV en Nobel Biocare (hierna:
VDP Dental Laboratory) [5] voortvloeit dat een intracommunautaire verwerving altijd het regime moet volgen dat geldt voor de levering (vrijgesteld of belast) van de lidstaat van bestemming. Omdat ter zake van de levering van vee onder de veehandelregeling geen omzetbelasting is verschuldigd, meent zij dat zij evenmin omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving. Dit volgt hetzij uit artikel 17e van de Wet (artikel 140 van Pro de Btw-richtlijn), hetzij uit de veehandelregeling. Indien de Hoge Raad mocht twijfelen aan deze uitleg, noopt dat in de visie van belanghebbende tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ).
VDP Dental Laboratory.
VDP Dental Laboratoryzijns inziens geen betekenis voor het onderhavige geval. Het Hof heeft naar de mening van de Staatssecretaris terecht beslist dat belanghebbende geen leveringen verricht die ‘in elk geval’ zijn vrijgesteld. Het subsidiair voorgestelde cassatiemiddel kan zijns inziens evenmin slagen, omdat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
5.De fiscale eenheid en grensoverschrijdende leveringen
HR BNB 2002/287 [10] , terwijl het HvJ nadien een arrest heeft gewezen waaruit ik afleid dat voornoemd arrest van de Hoge Raad moet worden genuanceerd: het in 2006 gewezen arrest
FCE Bank [11] .
lichamendie in Nederland zijn gevestigd (met mijn cursivering):
en die in Nederland wonen of zijn gevestigddan wel aldaar een vaste inrichting hebben en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, worden, al dan niet op verzoek van één of meer van deze natuurlijke personen of lichamen, bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur als één ondernemer aangemerkt en wel met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin de inspecteur die beschikking heeft afgegeven. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de vorming, wijziging en beëindiging van de fiscale eenheid.”
FCE Bankvolgt daarentegen dat een vaste inrichting voor toepassing van de btw onder omstandigheden wel als autonome belastingplichtige kan worden beschouwd. Het HvJ overweegt in dat arrest dat een dienst belastbaar is als tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsverhouding bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. Het begrip rechtsverhouding veronderstelt dat daarbij juridisch zelfstandige personen zijn betrokken. Dat is echter volgens het HvJ niet nodig. Ook een vaste inrichting kan een dergelijke rechtsverhouding aangaan met het hoofdhuis, indien de vaste inrichting een zelfstandige economische activiteit uitoefent. Daarvoor moet worden beoordeeld of de vaste inrichting autonoom is, met name doordat zij het economische bedrijfsrisico draagt. [12] In
FCE Bankgebruikt het HvJ in zijn beoordeling de begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘bijkantoor’ overigens door elkaar. [13] Gelet op punt 41 en het dictum van het arrest, waarin het begrip ‘vaste inrichting’ wordt gebruikt, ga ik ervan uit dat met deze begrippen hetzelfde wordt bedoeld. Om te kunnen concluderen dat de Duitse vaste inrichting deel uitmaakt van het Nederlandse hoofdhuis [X2] B.V., moet – gelet op
FCE Bank– het economische bedrijfsrisico van de activiteiten van de Duitse vaste inrichting volledig bij [X2] B.V. liggen. In
FCE Bankoordeelde het HvJ dat dit het geval is, omdat de vaste inrichting niet over een dotatiekapitaal beschikt. [14] Dat de vaste inrichting onderdeel uitmaakt van dezelfde juridische entiteit, vormt dus geen belemmering. De gedingstukken bevatten geen aanwijzingen dat de onderhavige Duitse vaste inrichting van [X2] B.V. over een eigen (dotatie)kapitaal beschikt. Alsdan berust het bedrijfsrisico volledig bij [X2] B.V. Daaruit volgt dat de vaste inrichting volledig afhankelijk is van [X2] B.V. en daarmee één enkele belastingplichtige vormt. Dit brengt echter nog niet automatisch mee dat ook de leveringen van de Duitse vaste inrichting aan [X1] B.V., het andere onderdeel van de Nederlandse fiscale eenheid, buiten de heffing van omzetbelasting moeten blijven. Dat vergt nog een extra stap. De vraag moet nog worden beantwoord of de vaste inrichting ten opzichte van [X1] B.V. (wel) zelfstandig is of dat zij als onzelfstandige ‘persoon’ ten opzichte van [X2] B.V. door die B.V. binnen de fiscale eenheid wordt getrokken. Het in 2014 gewezen arrest van het HvJ
Skandia America Corporation [15] (Skandia)gaat om een min of meer vergelijkbare situatie (eerder min dan meer), maar geeft wat mij betreft geen antwoord op deze vraag. Ook vind ik het niet eenvoudig daarin aanwijzingen voor een antwoord op deze vraag te vinden. Ik licht dat hierna toe.
Skandiawordt de term ‘vaste inrichting’ niet genoemd, wel de term ‘filiaal’. [16] Ik meen dat met deze termen (en ook met ‘bijkantoor’) hetzelfde wordt bedoeld (zie ook punt 5.7 van deze conclusie). Ik zal hierna zelf spreken over ‘vaste inrichting’, ook waar het HvJ zelf het begrip ‘bijkantoor’ of filiaal hanteert. Blijkens punt 26 van het arrest treedt de Zweedse vaste inrichting niet zelfstandig op en draagt het niet zelf het bedrijfsrisico van de economische activiteit in Zweden, omdat die inrichting naar nationaal recht niet beschikt over een eigen kapitaal en de activa deel uit maken van het vermogen van het Amerikaanse hoofdhuis. De vaste inrichting is daarom afhankelijk van het hoofdhuis en kan niet zelf de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 9 van Pro de Btw‑richtlijn hebben. Het HvJ overwoog:
Skandiais toch een belastbare prestatie tussen hoofdhuis en vaste inrichting mogelijk, indien die vaste inrichting is gevoegd in een fiscale eenheid (btw‑groep) waarvan het hoofdhuis geen deel uitmaakt. De prestatie van het hoofdhuis moet dan voor btw-doeleinden worden beschouwd als een prestatie aan de fiscale eenheid en niet als een prestatie aan de eigen vaste inrichting. Uit de in punt 29 opgenomen, gecursiveerde, overweging en de overweging in punt 30 (zie hierna) leid ik af dat het HvJ het hoofdhuis dan als derde beschouwt ten opzichte van de vaste inrichting (het lid van de btw-groep). Dat komt op mij niet erg consequent over. Het HvJ had immers juist daarvoor (in punt 26) overwogen dat de Zweedse vaste inrichting onzelfstandig is, hetgeen impliceert dat het hoofdhuis en de vaste inrichting één entiteit zijn. Het ligt dan niet erg voor de hand het hoofdhuis een derde te noemen. Als ik het goed begrijp, is de vaste inrichting volgens het HvJ weliswaar vanuit juridisch oogpunt onzelfstandig (zie ook punt 27 van het arrest), maar heeft die inrichting toch een zekere mate van zelfstandigheid ten opzichte van het hoofdhuis omdat het btw-technisch is opgegaan in een andere belastingplichtige, in casu de Zweedse fiscale eenheid. Het hoofdhuis en de vaste inrichting vormen dan niet één enkele belastingplichtige. Btw-technisch is de vaste inrichting losgesneden van het hoofdhuis. Het ene deel van de juridische entiteit maakt deel uit van de ene belastingplichtige en het andere deel van de andere belastingplichtige. Er is sprake van twee ‘ieders’ als bedoeld in artikel 9 van Pro de Btw-richtlijn die tezamen een rechtsverhouding kunnen aangaan op grond waarvan over en weer prestaties worden verricht: [17]
Daaruit volgt dat diensten verricht door een derde voor een lid van een btw-groep in een dergelijke situatie voor de toepassing van de btw niet moeten worden beschouwd als verricht voor het lid maar als verricht voor de btw-groep waartoe dat lid behoort.
CE: afkorting voor Skandia America Corporation] voor een filiaal dat lid is van een btw-groep, zoals Skandia Sverige, derhalve niet worden beschouwd als diensten verricht voor het filiaal, maar moeten zij worden beschouwd als diensten verricht voor de btw-groep.
Skandiain NTFR 2014/2486 dat
HR BNB 2002/287niet zonder meer juist of zonder meer niet juist is. Hij licht dit als volgt toe:
HR BNB 2002/287] lees ik: ‘Er kan derhalve geen sprake zijn van aan de heffing van omzetbelasting onderworpen prestaties tussen de hoofdvestiging en de vaste inrichting, evenmin als dit, zoals in het middel terecht naar voren wordt gebracht, het geval is bij prestaties tussen de hoofdvestiging en de vaste inrichting in Nederland van een lichaam dat geen onderdeel is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet’. Het cynische is dat het volledig klopt. Het is evenwel niet juist omdat de Hoge Raad miskent (de beoordeling geschiedt ook ‘ambtshalve’!!) dat sprake is van een Nederlandse en een Britse fiscale eenheid. Wanneer een – ook al geschiedt dat feitelijk of juridisch door een onderdeel van een – in het VK gevestigde fiscale eenheid ‘diensten’ verricht aan een (onderdeel van een) fiscale eenheid hier te lande betreft dat prestaties van een afzonderlijke VK-ondernemer aan een andere NL-ondernemer. Ook dan is in beginsel heffing aan de orde, die normaal gesproken wordt gerealiseerd door de hier geldende verleggingsregeling. Voor de in het genoemde arrest gegeven beoordeling ‘naar aanleiding van het middel en ambtshalve’ rest niets anders dan te worden gelegd bij andere stoffelijke resten van gesneuvelde arresten.”
Skandia-situatie. De situatie is niet 1-op-1 spiegelbeeldig, omdat het in de eerste plaats niet gaat om een prestatie van de vaste inrichting aan het eigen hoofdhuis en in de tweede plaats, maar dat lijkt minder relevant, omdat geen hoofdhuis in een niet EU-land is betrokken. Het gaat te dezen om een prestatie van een onzelfstandige vaste inrichting in Duitsland aan een vennootschap in een andere EU-lidstaat (Nederland) die een fiscale eenheid vormt met het hoofdhuis van die Duitse vaste inrichting. Anders dan in de arresten
FCE Banken
Skandiagaat het hier dus niet om ‘prestaties’ tussen hoofdhuis en vaste inrichting of vice versa. Wat ook anders lijkt te zijn is dat volgens Zweeds recht alleen een vaste inrichting met uitsluiting van het hoofdhuis onderdeel van een fiscale eenheid kan vormen [18] , terwijl volgens het Nederlandse fiscale recht de juridische entiteit waartoe de vaste inrichting behoort, met inbegrip van de hoofdvestiging, tot de fiscale eenheid wordt gerekend. Met het arrest
Skandiakan ik bij het beantwoorden van de vraag of de onderhavige Duitse vaste inrichting als zelfstandige belastingplichtige moet worden beschouwd dan ook onvoldoende uit de voeten. Voor het vervolg ga ik daarom, partijen volgend, veronderstellenderwijs ervan uit dat de vaste inrichting in Duitsland geen zelfstandige belastingplichtige is.
6.De landbouwregeling en de veehandelregeling
7.Artikel 17e van de Wet; de vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen
in ieder gevalop hun respectieve grondgebied is vrijgesteld;”
in elk geval is vrijgesteld. Artikel 17e van de Wet luidt (met mijn cursivering):
Bij ministeriële regeling wordt, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen,
vrijstellingvan belasting
verleendvoor de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor:
in elk gevalis vrijgesteld;
VDP Dental Laboratory:
HR BNB 2009/136 [28] volgt dat de Uitvoeringsbeschikking niet het gevolg kan hebben dat belanghebbende de vrijstelling die haar op grond van de Wet moet toekomen, zou kunnen worden onthouden. Anderzijds valt op dat de tekst van artikel 16a van de Uitvoeringsbeschikking ruimer lijkt te zijn geformuleerd dan artikel 17e van de Wet. Artikel 17e, onderdeel a, van de Wet verleent immers ‘slechts’ vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen waarvoor de levering van de desbetreffende goederen in Nederland in elk geval is vrijgesteld, terwijl artikel 16a Uitvoeringsbeschikking ook intracommunautaire verwervingen aanwijst “door ondernemers die geen prestaties in Nederland verrichten die bij hen aan belasting zijn onderworpen”. Ook als belanghebbende zich te dezen op deze bepaling had beroepen, hetgeen niet zo is, was een dergelijk beroep mijns inziens niet succesvol geweest. Zoals ik hiervoor heb betoogd, zijn de prestaties van belanghebbende namelijk wel aan de heffing van omzetbelasting onderworpen, maar is ter zake van een levering onder de veehandelregeling geen omzetbelasting verschuldigd. Dat subtiele verschil leidt ertoe dat artikel 16a van de Uitvoeringsbeschikking voor belanghebbende geen soelaas biedt. Voorts meen ik dat onderdeel b van het eerste lid van artikel 16a van de Uitvoeringsbeschikking niet ziet op de situatie in onderdeel a van artikel 17e van de Wet, maar op de in onderdeel c beschreven situatie. In de wetsgeschiedenis is daarover het volgende opgemerkt [29] (met mijn cursivering):
Het gaat hier om ondernemers die in Nederland geen belasting verschuldigd zijn en aan wie derhalve de belasting zou worden teruggegeven via de procedure van artikel 33, tweede lid, van de wet.De voorwaarden en beperkingen met betrekking tot de vrijstellingen worden nader uitgewerkt bij ministeriële regeling. Dit is overeenkomstig de regeling in artikel 21 voor Pro vrijstellingen bij invoer.
8.Behandeling van de middelen
Het primair voorgestelde cassatiemiddel
VDP Dental Laboratory [32] voortvloeit dat een intracommunautaire verwerving altijd het regime (vrijgesteld of niet) van de lidstaat van bestemming moet volgen. Omdat ter zake van de levering van het vee in Nederland onder de veehandelregeling geen omzetbelasting is verschuldigd, geldt dat – aldus belanghebbende – eveneens voor de intracommunautaire verwerving. Belanghebbende verwijst in verband daarmee naar
VDP Dental Laboratory.
VDP Dental Laboratoryechter niet uit over de vraag wat te doen indien geen sprake is van een vrijstelling of van een vrijstelling die niet ‘in ieder geval’ geldt. Hetgeen belanghebbende primair betoogt, valt niet af te leiden uit het
VDP Dental Laboratory.Het Hof heeft mijns inziens terecht geoordeeld dat uit dit arrest niet volgt dat de veehandelregeling ‘in de plaats treedt’ van de intracommunautaire verwerving.