Conclusie
Zoals ik begrepen heb, bevindt deze pleitnota zich wel in het procesdossier[onderstreping AG].
de pleitnota is die zich in het dossier bevindt[onderstreping AG]. Helaas krijg ik, ondanks herhaald aandringen, hierover van mr. Goedegebure geen duidelijkheid.
die zich het dossier bevindt[onderstreping AG] (te weten: de pleitnota d.d. 5 juni 2014), deze in het ongerede is geraakt en niet meer is kunnen worden getraceerd. Het sterke vermoeden bestaat evenwel dat op laatstgenoemde terechtzitting door mr. Goedegebure de door mr. Visser opgestelde pleitnota d.d. 5 juni 2014 is overgelegd,
in welk geval het procesdossier zoals u dat heeft ontvangen, compleet is.[onderstreping AG]”
- Op 16 juni 2015 zendt het hof de griffie van de Hoge Raad per e-mail de pleitnota die het hof heeft opgevraagd bij het kantoor van mr. Goedegebure. Daarbij wordt gemeld dat deze pleitnota betrekking heeft op de zitting van 5 juni 2014 en niet op de zitting van 9 september 2014, maar dat aangenomen wordt dat op deze laatste zitting hetzelfde verweer is gevoerd.
- Daarop wordt door de griffie van de Hoge Raad op 25 juni 2015 erop gewezen dat op de zitting van 5 juni 2014 geen pleitnota is overgelegd omdat de verdachte op die zitting niet was verschenen. Aan het hof wordt gevraagd om een bevestiging dat de op 5 juni 2014 gedateerde pleitnota ook daadwerkelijk op de zitting van 9 september 2015 is overgelegd.
- Vanuit het hof wordt per kerende e-mail op 25 juni 2015 door [A], die griffier was op de zitting van 9 september 2014, het volgende gemeld: