Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) primair een verklaring voor recht dat de rechtsvordering van Mispelhoef jegens de Staat tot vergoeding van de schade, die Mispelhoef heeft geleden als gevolg van de door de Staat (Rijkswaterstaat) verrichte werkzaamheden, niet is verjaard;
- ii) subsidiair een verklaring voor recht dat de (als gevolg van verjaring ontstane) natuurlijke verbintenis tot schadevergoeding op grond van art. 6:5 BW Pro in een rechtens afdwingbare overeenkomst tot schadevergoeding is omgezet;
- iii) primair en subsidiair de Staat te veroordelen om de door Mispelhoef geleden “oude” schade te vergoeden en deze schade te laten opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- iv) de Staat te veroordelen tot betaling aan Mispelhoef van een bedrag van € 3.753,76 aan buitengerechtelijke kosten, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag;
- v) de Staat te veroordelen tot primair betaling van het gehele bedrag van € 2.740,00 aan proceskosten in eerste aanleg aan Mispelhoef, subsidiair tot betaling van het in eerste aanleg door Mispelhoef aan de Staat te veel betaalde bedrag aan proceskosten van € 1.307,00, een en ander vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der betaling;
- vi) de Staat te veroordelen tot de kosten en nakosten van de appelprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien betaling binnen de toepasselijke termijn uitblijft.
tweede tot en met vijfde griefvallen verschillende onderdelen van de overwegingen van de rechtbank aan die hebben geleid tot het oordeel dat de vordering van Mispelhoef is verjaard. Mispelhoef betoogt dat het er uitsluitend om gaat of zijzelf al voor 4 juli 2008 bekend had behoren te zijn met de voor haar schade aansprakelijke persoon. Zij stelt dat het in 2003, het tijdstip waarop zij de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk stelde, niet voor de hand lag Rijkswaterstaat aansprakelijk te stellen, omdat zij dacht dat de gedempte sloten aan het Waterschap in eigendom toebehoorden en dat deze door het Waterschap werden onderhouden. Mispelhoef brengt bovendien naar voren dat zij zeker niet achterover is gaan leunen, maar het een en ander heeft ondernomen om aan haar onderzoeksplicht te voldoen. Dat het tot 2008 heeft geduurd voordat zij Rijkswaterstaat aansprakelijk heeft gesteld, wijt zij mede aan de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van verzoeken van het door haar ingeschakelde adviesbureau. Zij stelt voorts dat het beroep van de Staat op verjaring naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij verzet zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat de erkenning door Rijkswaterstaat van zijn aansprakelijkheid voor de schade niet aan een beroep op verjaring in de weg staat. Zij wijst erop dat Rijkswaterstaat bij die erkenning geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, en dat ter comparitie is verklaard dat na een vonnis wellicht weer over de schade kan worden gesproken. Gelet daarop heeft zij haar eis in hoger beroep vermeerderd met een vordering van een verklaring voor recht dat de na verjaring resterende natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. Ten slotte richt Mispelhoef zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat Rijkswaterstaat aanvankelijk heeft gesteld dat overeenkomstig de door het Waterschap verleende vergunning is gewerkt, niet afdoet aan een beroep op verjaring. Mispelhoef betoogt dat deze twee aspecten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. (…).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat”en dat de ingangsdatum van de verjaringstermijn daarom ten laatste 13 februari 2003 was. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee art. 3:310 lid 1 BW Pro, in het bijzonder de woorden “
met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden”, onjuist uitgelegd en/of toegepast. Het onderdeel verwijst naar de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor het bepalen van het moment van aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro [6] . Het onderdeel betoogt dat op grond van deze maatstaf is vereist dat Mispelhoef daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering in te stellen, waarvoor in elk geval nodig was dat Mispelhoef met een voldoende mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoefde te zijn - ermee bekend was dat haar schade (mede) door handelingen van Rijkswaterstaat is ontstaan. Het onderdeel stelt dat de omstandigheid dat Mispelhoef ermee bekend was dat de schade
mogelijk(mede) kon worden toegeschreven aan handelingen van de
Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat, niet voldoende is om de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro te doen aanvangen (de onderstrepingen zijn ontleend aan het onderdeel).
subjectieve, daadwerkelijkebekendheid [8] , zodat een enkel vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat [9] . De subjectieve opvatting van de bekendheidseis brengt met zich dat [10] :
[…]-arrest, dat de korte verjaringstermijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen [11] . De Hoge Raad heeft nader invulling gegeven aan het vereiste van “daadwerkelijk in staat zijn” [12] :
)van alle ter zake dienende omstandigheden afhankelijk is [13] . Daarbij geldt dat op het punt van de bekendheid met de aansprakelijke persoon een zekere onderzoeksplicht op de benadeelde rust [14] :
pragmatische benadering van het criterium van ‘daadwerkelijk in staat zijn’”, brengt deze onderzoeksplicht als volgt onder woorden [21] :
“wat de betreffende benadeelde gelet op zijn werkelijke kennis met het oog op het belang van de debiteur aan feiten zou moeten achterhalen” [22] . Hij wijst erop dat een onderzoeksplicht voor de hand ligt in gevallen waarin er bekendheid is met de fout. Voorts kunnen volgens Smeehuijzen een rol spelen: i) het bestaan van de schade; naarmate dat bestaan waarschijnlijker is, zal eerder een onderzoeksplicht kunnen worden aangenomen, en ii) de bezwaarlijkheid van het instellen van onderzoek, gelet op kosten, moeite en de mate waarin het onderzoek de benadeelde overigens bezwaart en het te verwachten resultaat [23] . Ook ik heb in mijn conclusie onder 2.11 in fine voor HR 20 februari 2004 (
[.../...]), ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113, betoogd dat van de benadeelde een actieve houding mag worden verlangd. De verjaringstermijn begint niet pas begint te lopen wanneer de benadeelde er geheel klaar voor is om zijn rechten geldend te maken; mijns inziens is de benadeelde reeds daadwerkelijk in staat een rechtsvordering in te stellen op het moment dat er voor hem voldoende aanleiding is nadere maatregelen tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid te treffen. In zoverre deel ik niet de opvatting van mijn voormalige ambtgenoot Hartkamp, die zich tegen een onderzoeksplicht heeft uitgesproken [24] .
voldoende matevan zekerheid heeft dat de schade door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon is veroorzaakt, waarbij de benadeelde noch met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden, noch met de (exacte) schadeoorzaak bekend behoeft te zijn [27] . Anders gezegd: de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf houdt niet in dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro eerst gaat lopen op het moment dat alle feiten en omstandigheden in een bepaalde zaak kristalhelder zijn; absolute zekerheid is niet vereist [28] . Waar het omslagpunt ligt, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden van het concrete geval [29] , waarbij de rechter in geval van betwisting de bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bovendien voorshands uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden mag afleiden [30] . Dit betekent dat het oordeel van de rechter op dit punt in belangrijke mate verweven is met waarderingen van feitelijke aard, waardoor dit oordeel in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden getoetst.
voor Mispelhoefin ieder geval duidelijk dat de schade door (volgens haar foutief [33] ) handelen van één of meer van deze actoren was veroorzaakt, hetgeen het hof tot uitdrukking heeft gebracht door te verwijzen naar de aansprakelijkstellingen die Mispelhoef op 12 februari 2003 naar de Gemeente en het Waterschap heeft gezonden en waarin expliciet ook Rijkswaterstaat wordt genoemd [34] .
[…]), NJ 2006/112, zou hebben aangelegd, het niet, dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak naar zijn oordeel aan deze maatstaf zou zijn voldaan.
“De omstandigheid dat Mispelhoef meende(…)
eens te meer reden moeten zijn om ter bewaring van recht tot aansprakelijkstelling over te gaan”) en klaagt dat dit een ontoereikende motivering vormt van het in rov. 5 vervatte oordeel dat de ingangsdatum van de verjaringstermijn op ten laatste 13 februari 2003 lag. Het onderdeel betoogt dat uit de vier in de bedoelde passage besproken omstandigheden (te weten (i) de mening van Mispelhoef dat de aansprakelijkheid primair bij de Gemeente en/of het Waterschap berustte, (ii) het feit dat Mispelhoef professionele rechtsbijstand genoot, (iii) het feit dat Rijkswaterstaat zich in eerste instantie erop heeft beroepen overeenkomstig de door het Waterschap verleende vergunning te hebben gewerkt en (iv) de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van de brieven van het adviesbureau) niet, laat staan zonder méér, kan volgen dat, kort gezegd, op 12 februari 2003 aan de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf was voldaan.
eerstegedeelte van die rechtsoverweging (
“De door Mispelhoef ingestelde vordering(…)
ten laatste 13 februari 2003”) dat het hof tot het oordeel is gekomen dat het aanvangsmoment van de verjaringstermijn ten laatste op 13 februari 2003 lag, nu Mispelhoef op 12 februari 2003 zowel met de schade als met de potentieel daarvoor aansprakelijke personen bekend was. De laatste zin van het eerste gedeelte van rov. 5 onderstreept dit:
“De ingangsdatum van de verjaringstermijn isdaaromten laatste 13 februari 2003”(onderstreping toegevoegd; LK). Het woord
“daarom”markeert dat de argumenten voor het oordeel van het hof met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn in het eerste deel van rov. 5 liggen besloten. Ook het cassatiemiddel zelf gaat van deze lezing van rov. 5 uit: de in de onderdelen 1 en 2 vervatte klachten dat het hof de aan te leggen maatstaf heeft miskend respectievelijk zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, zijn immers slechts tegen het eerste gedeelte van rov. 5 gericht.
allereerstdat het hof in rov. 5 (en dan met name in het tweede deel daarvan) niet alleen heeft miskend dat het bij de toepassing van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet gaat om de vraag of de benadeelde redelijkerwijs bekend had
behorente zijn met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, doch om
daadwerkelijkebekendheid, maar in het bijzonder ook dat het niet erom gaat of de benadeelde daadwerkelijk in staat
behoordete zijn om een rechtsvordering in te stellen, maar om het
daadwerkelijkdaartoe in staat zijn, waarvoor in ieder geval nodig was dat Mispelhoef met een voldoende mate van zekerheid ermee bekend was dat haar schade (mede) door de handelingen van Rijkswaterstaat was ontstaan.
ten tweededat, indien en voor zover het hof tot het oordeel is gekomen dat in casu de regel zou gelden dat degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon kan beroepen, zoals voortvloeit uit het arrest
X. /Betonmortelfabriek Tilburg Bemoti [36] , het heeft miskend dat het in de onderhavige zaak om een (wezenlijk) ander geval gaat dan in de zaak die tot dit arrest leidde. Waar de identiteit van de schadeveroorzaker in de zaak
X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemotigemakkelijk kon worden vastgesteld, was dat volgens het onderdeel in casu allerminst het geval, nu de schadeoorzaak nog steeds onbekend was. Het hof mocht derhalve de regel uit het arrest niet toepassen, hetgeen het hof heeft miskend [37] . Bovendien, aldus nog steeds het onderdeel, heeft Mispelhoef - zoals het hof expliciet heeft weergegeven in rov. 4 - gesteld dat zij een en ander heeft ondernomen om aan haar onderzoeksplicht te voldoen.
ten derde, dat indien het hof zou hebben geoordeeld dat, omdat Mispelhoef zelf spreekt van een verplichting om (nader) onderzoek te doen [38] , “dus” de regel uit het arrest
X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemotivan toepassing zou zijn, dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd zou zijn, mede gezien de stellingen van Mispelhoef die in onderdeel 5, onder II, letters d-m, zijn vermeld.
eersteklacht die onderdeel 4 aan de orde stelt, vormt in feite een verbijzondering van de klachten over ’s hofs toepassing van de maatstaf van art. 3:310 lid 1 BW Pro zoals vervat in onderdeel 1 (zij het dat de onderhavige klacht zich in het bijzonder richt tegen het tweede deel van rov. 5) en onderdeel 3. Geklaagd wordt immers over het feit dat het hof ten onrechte zou zijn uitgegaan van het criterium bekend/in staat “behoren te zijn” in plaats van het vereiste “daadwerkelijk” bekend/in staat zijn. Nu noch onderdeel 1, noch onderdeel 3 tot cassatie kan leiden, faalt de eerste klacht van onderdeel 4 reeds om de hierboven onder 2.6 en 2.8 genoemde redenen.
“(…) Mispelhoef zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden”en
“(…) dat zij er laatstelijk op die dag mee bekend was, dat (…)”. Weliswaar is in het tweede gedeelte van rov. 5, waartegen de klacht meer in het bijzonder is gericht, sprake van omstandigheden die Mispelhoef niet van aansprakelijkstelling behoefden te weerhouden c.q. waaronder van Mispelhoef kon worden gevergd tot aansprakelijkstelling over te gaan. Zoals hiervóór (onder 2.8) reeds aan de orde kwam, vormt hetgeen het hof in het tweede gedeelte van rov. 5 heeft overwogen, echter niet de grondslag van zijn oordeel dat ten laatste op 13 februari 2003 aan de voorwaarde van daadwerkelijke bekendheid van Mispelhoef met haar schade en de daarvoor aansprakelijke persoon was voldaan (die grondslag is gelegen in het
eerstegedeelte van rov. 5), maar een uiteenzetting waarom de door Mispelhoef aangevoerde argumenten aan dat oordeel geen afbreuk doen. In zoverre mist de eerste klacht van onderdeel 4 feitelijke grondslag.
tweedein onderdeel 4 vervatte klacht over de toepassing van de regel uit
X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemotitreft naar mijn mening geen doel. Het is mij niet duidelijk (en het onderdeel geeft niet aan) waarop de stelling is gebaseerd dat überhaupt van een dergelijke toepassing sprake zou zijn. Noch in rov. 5, noch in de daarop volgende rechtsoverwegingen, heeft het hof van een dergelijke op Mispelhoef rustende (maar niet door haar nagekomen) onderzoeksplicht gerept. Evenmin heeft het hof geoordeeld dat Mispelhoef zich niet op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon mocht beroepen omdat zij zou hebben “stilgezeten”. Het woord “onderzoek” komt slechts eenmaal in het oordeel van het hof terug (rov. 5):
derdeklacht van het onderdeel faalt eveneens, nu niet kan worden volgehouden dat het hof de regel uit
X./Betonmortelfabriek Tilburg Bemotiheeft toegepast, laat staan dat het hof zich daartoe heeft laten inspireren doordat Mispelhoef zelf heeft gesproken van een verplichting om nader onderzoek te verrichten.
rov. 4en die volgens het hof inhouden
welaansprakelijk kon worden geacht, dat Mispelhoef vervolgens zelf een uitgebreid onderzoek heeft laten doen naar de oorzaak, dat het rapport van dit onderzoek op 10 oktober 2008 uitgebracht werd door Taurus, en dat eerst uit dit rapport bleek dat met name de door Rijkswaterstaat uitgevoerde werkzaamheden aan de A2 (dempen van de sloot en het daarvoor in de plaats stellen van een duikerconstructie) hebben geleid tot de wateroverlast (Inl.Dagv-§ 11 en MvG-§ 3);
“RWS”resp. de Staat aansprakelijk was (Inl.Dagv-§ 20 en MVG-§ 3);
onder aals de
onder cgenoemde stellingen gerespondeerd en heeft beide stellingen - mede gelet op hetgeen hiervóór (onder 2.8) reeds aan de orde kwam - op toereikende wijze verworpen. Daarbij geldt bovendien dat de onder c vermelde stelling over de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van de verzoeken in het kader van het in 2006 opgestarte onderzoek niet relevant was, gegeven het oordeel dat de verjaringstermijn reeds daarvóór ten laatste op 13 februari 2003 was aangevangen. Hetzelfde geldt voor de
onder bgenoemde stelling, nu de verjaringstermijn naar het oordeel van het hof reeds was gaan lopen vóór de door Mispelhoef ondernomen onderzoeksactiviteiten. Het hof behoefde mijns inziens dan ook niet op de stellingen
onder cen
onder bin te gaan.
onder den
onder ebedoelde stellingen ligt besloten in het oordeel van het hof dat Mispelhoef blijkens
“de aan de Gemeente en het Waterschap gezonden brieven van 12 februari 2003”ten laatste op 12 februari 2003 ermee bekend was dat haar schade mogelijk door handelingen van de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat was veroorzaakt. Dit oordeel is om redenen uiteengezet onder 2.6 en 2.7 onjuist noch onbegrijpelijk. Bovendien wordt met de
onder dgenoemde stelling miskend dat voor aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet is vereist dat de (exacte) oorzaak van de schade vaststaat [42] .
onder fgenoemde stelling essentieel zou zijn. Voor zover de stelling appelleert aan het feit dat Mispelhoef een actieve houding aangenomen heeft, geldt daarvoor hetzelfde als hierboven ten aanzien van de
onder bgenoemde stelling is opgemerkt.
onder g en hgenoemde stellingen geldt dat de respons van het hof besloten ligt in het oordeel dat Mispelhoef ten laatste op 12 februari 2003 met de Gemeente, het Waterschap en/of Rijkswaterstaat als mogelijke veroorzakers van haar schade bekend was. Hiermee wordt immers het andersluidende betoog van Mispelhoef verworpen.
onder ien
onder jgenoemde stellingen zijn geen essentiële stellingen; zij gaan op in de stelling dat Mispelhoef eerst door het rapport van Taurus bekend was met de (exacte) oorzaak van haar schade en (daardoor) met de (uiteindelijk) voor die schade aansprakelijke persoon.
onder kgenoemde stelling geldt hetzelfde als opgemerkt voor de stellingen genoemd
onder d, e, g en h: de respons van het hof op deze stelling (verwerping) ligt in het oordeel van het hof in rov. 5 besloten.
onder lgenoemde stelling dat het destijds veeleer voor de hand zou hebben gelegen om de provincie Noord-Brabant aan te spreken, wordt in de memorie van grieven onder 17 [43] door Mispelhoef zelf als een hypothetisch betoog (
“zou aldus betoogd kunnen worden”) gepresenteerd, waarna het als een
“allerminst logische redenering”wordt bestempeld. Overigens kan uit de brieven van 12 februari 2003, waarin noch over de N2, noch over de provincie Noord-Brabant wordt gesproken, worden afgeleid dat Mispelhoef de provincie Noord-Brabant niet daadwerkelijk als schadeveroorzakende partij beschouwde, laat staan dat zij om die reden Rijkswaterstaat in dat stadium niet aansprakelijk zou hebben gesteld. Het hof behoefde de bedoelde stelling dan ook niet te bespreken.
onder mgenoemde stelling, tot slot, ligt in het verlengde van de
onder h en kgenoemde stellingen. In het licht van hetgeen ten aanzien van die stellingen is opgemerkt, kan niet gezegd worden dat het hof deze stelling niet of ontoereikend besproken heeft.