Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 13 oktober 2015
MISPELHOEF B.V.,
[appellant 2],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primairvordert dat het hof voor recht zal verklaren dat haar rechtsvordering tot schadevergoeding niet is verjaard en
subsidiairdat de na verjaring resterende natuurlijke verbintenis van de Staat tot schadevergoeding op grond van artikel 6:5 BW Pro is omgezet in een rechtens afdwingbare overeenkomst tot schadevergoeding, alsmede de Staat zal veroordelen de ‘oude’ schade, op te maken bij staat, te vergoeden, met kostenveroordelingen.
eerste griefkeert Mispelhoef zich tegen een kennelijke verschrijving in het vonnis van de rechtbank waar in rechtsoverweging 2.4 “Rijkswaterschap” is geschreven waar “Rijkswaterstaat” had moeten staan. De grief leidt niet tot vernietiging van het vonnis, reeds omdat het hof zelfstandig de feiten heeft vastgesteld waarop het zijn arrest stoelt. De
tweede tot en met vijfde griefvallen verschillende onderdelen van de overwegingen van de rechtbank aan die hebben geleid tot het oordeel dat de vordering van Mispelhoef is verjaard. Mispelhoef betoogt dat het er uitsluitend om gaat of zijzelf al voor 4 juli 2008 bekend had behoren te zijn met de voor haar schade aansprakelijke persoon. Zij stelt dat het in 2003, het tijdstip waarop zij de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk stelde, niet voor de hand lag Rijkswaterstaat aansprakelijk te stellen, omdat zij dacht dat de gedempte sloten aan het Waterschap in eigendom toebehoorden en dat deze door het Waterschap werden onderhouden. Mispelhoef brengt bovendien naar voren dat zij zeker niet achterover is gaan leunen, maar het een en ander heeft ondernomen om aan haar onderzoeksplicht te voldoen. Dat het tot 2008 heeft geduurd voordat zij Rijkswaterstaat aansprakelijk heeft gesteld, wijt zij mede aan de trage beantwoording door Rijkswaterstaat van verzoeken van het door haar ingeschakelde adviesbureau. Zij stelt voorts dat het beroep van de Staat op verjaring naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij verzet zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat de erkenning door Rijkswaterstaat van zijn aansprakelijkheid voor de schade niet aan een beroep op verjaring in de weg staat. Zij wijst erop dat Rijkswaterstaat bij die erkenning geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, en dat ter comparitie is verklaard dat na een vonnis wellicht weer over de schade kan worden gesproken. Gelet daarop heeft zij haar eis in hoger beroep vermeerderd met een vordering van een verklaring voor recht dat de na verjaring resterende natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. Ten slotte richt Mispelhoef zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat Rijkswaterstaat aanvankelijk heeft gesteld dat overeenkomstig de door het Waterschap verleende vergunning is gewerkt, niet afdoet aan een beroep op verjaring. Mispelhoef betoogt dat deze twee aspecten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De
zesde griefis gericht tegen de kostenveroordeling. Mispelhoef brengt naar voren dat de Staat in het ongelijk had moeten worden gesteld en daarom in de kosten had moeten worden veroordeeld. Verder stelt zij dat de rechtbank het bedrag aan griffierecht verkeerd heeft vastgesteld.
vande Staat, maar
binnende Staat functionerende zelfstandige bestuursorganen met eigen rechten en verplichtingen. De tweede tot en met de vijfde grief leiden niet tot resultaat. Hetzelfde geldt voor de zesde grief, voor zover deze op de eerdere grieven voortbouwt.
Beslissing
in zoverre opnieuw recht doende,