Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Coöperatieve Rabobank U.A., rechtsopvolger van Coöperatieve Rabobank Weerterland en Cranendonck U.A.”) blijkt dat het hof ’s-Hertogenbosch aan dit verzoek gevolg heeft gegeven. Bij de verdere weergave van het procesverloop zal verzoekster tot faillietverklaring van [verzoeker] steeds worden aangeduid als Rabobank.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.ageciteerd onder aanvoering van de algemene klacht dat het hof daarin ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, Coöperatieve Rabobank U.A. in plaats van Coöperatieve Rabobank Weerterland en Cranendonck als appellante heeft aangemerkt. De klacht wordt
onder 1.bnader uitgewerkt.
“per abuis”) niet aan de partijwisseling was aangepast [10] . Dit laatste heeft het hof niet ambtshalve, maar op uitdrukkelijk verzoek van Rabobank gedaan. Rabobank heeft bij gelegenheid van de zitting van 17 augustus 2016 uitdrukkelijk verzocht (voor zover nodig) een naamswijziging door te voeren.
onder 1.cbetoogt - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd. De rechtsklacht wordt door [verzoeker] niet nader uitgewerkt. De motiveringsklacht faalt omdat het berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging. ’s Hofs oordeel moet niet in die zin worden begrepen dat volgens het hof uit beide genoemde processtukken volgt dat [verzoeker] bekend was met de fusie en het opgaan van Coöperatieve Rabobank Weerterland en Cranendonck U.A. in Coöperatieve Rabobank U.A. en met de omstandigheid dat laatstgenoemde als rechtsopvolger partij was. ’s Hofs oordeel moet aldus worden begrepen dat uit de processtukken volgt dat [verzoeker] in elk geval heeft begrepen dat de bank jegens wie hij een borgstelling had afgegeven de procedure tegen hem voerde en dus zijn wederpartij was en dat hij zijn verweer daarop heeft afgestemd [12] . Bij die stand van zaken valt in redelijkheid niet in te zien dat de materiële belangen van [verzoeker] door het herstel van de onjuiste partijaanduiding zouden zijn geschaad.
onder II.azijn voornoemde overwegingen onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De klacht wordt uitsluitend ten aanzien van de motiveringsklacht onder
II.bnader uitgewerkt. Aan de rechtsklacht zal ik bij de verdere bespreking dan ook voorbijgaan [13] . [verzoeker] klaagt dat het hof niet zo zonder meer het bestaan van de twee steunvorderingen aannemelijk had mogen achten, gegeven dat het bestaan van diezelfde steunvorderingen in eerste instantie volgens de rechtbank onvoldoende is gebleken, dat dat bestaan door het hof in derhalve per saldo enige feitelijke aanleg alsnog is onderzocht, dat [verzoeker] die vorderingen van meet af aan gemotiveerd heeft betwist [14] , dat daarbij is gewezen op een gecompliceerde onderlinge situatie van alle betrokkenen [15] en dat [verzoeker] daarbij keer op keer heeft benadrukt nimmer enig verzoek tot voldoening te hebben ontvangen.
summierlijkaannemelijk te maken dat sprake is van diens vordering en van pluraliteit van schuldeisers en dat de wederpartij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen [16] . Dat summiere karakter brengt met zich dat in een procedure als de onderhavige geen strenge motiveringseisen kunnen worden gesteld [17] . Het onderdeel mist voorts feitelijke grondslag voor zover het berust op de veronderstelling dat het hof
“zo zonder meer”het bestaan van de twee steunvorderingen aannemelijk heeft geacht: het gaat voorbij aan de inhoudelijke beoordeling die in de bestreden overweging is vervat. Welbeschouwd bestrijdt het onderdeel slechts de slotsom dat summierlijk aannemelijk is gemaakt dat twee steunvorderingen aanwezig zijn. Zulks echter tevergeefs, nu die slotsom in het licht van ’s hofs inhoudelijke overwegingen niet onbegrijpelijk is.
“gecompliceerde onderlinge situatie”heeft hij blijkens de opgenomen verwijzingen uitsluitend het oog op de vordering van de curator in het faillissement van Holding [A] B.V, van welke vennootschap [verzoeker] bestuurder is. Hetgeen daaromtrent in eerste aanleg is aangevoerd, is hangende het hoger beroep achterhaald door de uit het faillissementsverslag van 3 augustus 2016 gebleken beslissing van de curator tot aansprakelijkstelling van [verzoeker] en de toestemming die de rechter-commissaris daartoe heeft gegeven [18] . De omstandigheid tot slot dat nimmer enig verzoek tot voldoening is ontvangen, doet niet ter zake [19] ; een betalingsverzoek is geen voorwaarde om van een steunvordering te kunnen spreken. Dit laatste volgt reeds hieruit dat van een steunvordering ook sprake kan zijn indien de betreffende vordering nog niet opeisbaar is [20] .
louterop de grond dat deze vennootschap die vordering pretendeert. Niet onbegrijpelijk heeft het hof betekenis toegekend aan een ter zake relevante garantstelling van [verzoeker] [23] . Tegen die garantstelling, waarin over openstaande declaraties wordt gerept, heeft [verzoeker] naar ’s hofs - in zoverre onbestreden - oordeel onvoldoende aangevoerd. Dat voor het bestaan van een steunvordering niet beslissend is of al dan niet voldoening daarvan is verzocht, kwam ten slotte hiervóór (onder 2.7) reeds aan de orde.