Uitspraak
wonende te [woonplaats],
thans gevestigd te Amsterdam, voorheen gevestigd te Weert,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil centraal over de ontvankelijkheid van een partij in een faillissementsprocedure na een fusie, waarbij de rechtsopvolger Rabobank als verweerder optrad. De rechtbank Limburg en het gerechtshof 's-Hertogenbosch hadden eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het ontvankelijkheidsverweer verwierp. Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank en het hof en behandelt het cassatieberoep op basis van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De klachten van verzoeker konden niet leiden tot cassatie, omdat deze niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaak gaven.
De Advocaat-Generaal had eveneens geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad heeft het beroep van verzoeker dan ook verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. Hiermee is bevestigd dat de partijwissel door fusie geen ontvankelijkheidsprobleem oplevert in faillissementsprocedures indien steunvorderingen aanwezig zijn.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Snijders en Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. [verzoeker].
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van de rechtsopvolger in de faillissementsprocedure.