Conclusie
Periode 1 januari 2015 tot 1 juli 2015
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Behoefte
Gelet hierop stelt het hof de behoefte van de minderjarige met ingang van 1 januari 2015 vast op € 353,- per maand.
Draagkracht vrouw vanaf 1 januari 2015
onderdeel I.6ook tegen rov. 17 van de tussenbeschikking, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen dat gezien het feit dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt het niet redelijk is dat zij een aandeel levert in de kosten van de minderjarige.
onderdeel 1.6zijn de onderdelen I.1 tot en met I.4 ook gericht tegen rov. 17 van de tussenbeschikking, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen dat op grond van de omstandigheid dat de vrouw een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, het niet redelijk is dat zij een aandeel in de kosten van de minderjarige levert en rov. 4 van de eindbeschikking daarop voortbouwt.
NJ2015/465 m.nt. S.F.M. Wortmann heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
Kamerstukken II2014/15, 33 716, nr. 32, p. 3) is met deze tegemoetkoming beoogd twee doelen na te streven: aanvullende inkomensondersteuning van de alleenstaande ouder, overeenkomend met de doelstelling van de oude regelingen, en, als onderdeel van het kindgebonden budget, een tegemoetkoming in de kosten van kinderen.
Handelingen I, 2013/14, 33716, nr. 33, item 15, p. 10).
rechtsvragenbetreft (punt 11). Dit laatste zal bij de bespreking van de onderdelen ook tot uitgangspunt worden genomen.
NJ2016/428 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het op 9 oktober 2015 gegeven oordeel niet alleen betrekking heeft op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen, maar ook op de regeling van het kindgebonden budget
zoals die vóór 1 januari 2015 gold. Met de uitspraak van 30 september 2016 heeft het hof in de bestreden beschikking geen rekening kunnen houden.