Conclusie
één onderdeel. Hierin wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte een voorschot heeft genomen op de door de bestuursrechter te nemen beslissing ten aanzien van de terugvordering van de uitkering en de boete en de uitkomst van dit beroep niet heeft afgewacht. Onder verwijzing naar jurisprudentie wordt betoogd dat hiermee de leer van een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter geweld is aangedaan en de rechtspositie van [verzoekster] is benadeeld. [3]
verplichtingtot aanhouding in beginsel geen sprake is. Wel dient de burgerlijke rechter zich af te vragen of te verwachten valt dat het besluit in de bestuursrechtelijke rechtsgang zal worden vernietigd. Het door het hof in rov. 3.8 gegeven oordeel, dat het op de weg van [verzoekster] lag om concrete aanknopingspunten aan te voeren op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat het door haar bij de rechtbank ingediende beroep tegen de beslissingen op bezwaar van de gemeente van 1 oktober 2015 en 3 december 2015 een reële kans van slagen heeft, sluit hierbij aan en getuigt van een juiste rechtsopvatting. Van het geven van een inhoudelijk oordeel over de geldigheid van het terugvorderingsbesluit is, anders dan in het cassatiemiddel wordt aangevoerd, geen sprake. De in het onderdeel aangehaalde jurisprudentie, die ziet op de situatie waarin de civiele rechter een inhoudelijk oordeel geeft over kwesties waarover de bestuursrechter heeft geoordeeld of - indien de bestuursrechtelijke rechtsgang was doorlopen - had kunnen oordelen, is hier dan ook niet relevant.