Conclusie
De module J voor Offertevergelijk (SQL) is toegevoegd aan IBIS- TRAD. (...)”
2.Bespreking van het cassatieberoep
als exclusief distributiecontract is vrijgesteld, maar helemaal zeker is dat niet [3] . Zie ik dat niet goed, dan is mijns inziens nog niet zonder rafels uitgemaakt of art. 101 VWEU Pro een bepaling van openbare orde is die meebrengt dat de rechter deze bepaling zonder meer ambtshalve moet toepassen
buiten de rechtsstrijd in de zin van art. 24 en Pro 25 Rv en buiten het dossier (art. 149 Rv Pro) om [4] . Als dat al zo zou zijn (het arrest T-Mobile/NMa zou daar op kunnen wijzen [5] ), dan is mij niet duidelijk
hoedat in deze zaak op basis van het huidige dossier zou moeten en zouden opnieuw prejudiciële vragen langs de lijnen van de vragen 5-8 van het Amsterdamse hof in de UPC/Gem. Hilversum-zaak moeten worden gesteld, die in die zaak als gezegd niet werden beantwoord. Ik bepleit dat hier als hoofdlijn dus niet. Met Ancery [6] meen ik dat de rechter niet verplicht is om voor een dergelijke toets buiten het dossier te treden. Zijn praktische suggestie in het voetspoor van Krans, Vedder en Wissink is dat wanneer de rechter bij het doornemen van het dossier slechts het vermoeden krijgt dat art. 101 VWEU Pro geschonden zou kunnen zijn, hij zich af moet vragen of ambtshalve aanwending van bevoegdheden om daar handen en voeten aan te geven wel tot enig resultaat zal leiden. Als dit gelet op de verhouding tussen het vermoeden en de met het onderzoek gepaard gaande tijd en kosten niet efficiënt zou zijn om te doen, kan hij dat nalaten.
onderdeel 1.1heeft het hof miskend dat voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts ruimte is indien de overeenkomst een leemte vertoont en/of dat de vraag of hiervan sprake is moet worden beantwoord door uitleg van de overeenkomst.
geen leemte laatin de regeling van de beëindiging van de overeenkomst, waarvan niet kon worden afgeweken met een beroep op de bedoeling van partijen. Dat is in wezen wat Brink in onze zaak in cassatie ook bepleit: het is een tot in detail uitonderhandeld contract tussen twee professionele operatoren op de softwaremarkt en er is bewust afgezien van een afzonderlijke vergoeding voor (in de ogen van Brink: geen of hooguit minimale) onderhoudswerkzaamheden van [verweerder] na afloop van de samenwerking (zo’n vergoeding werd volgens Brink geacht te zijn begrepen in de afdracht van de licentievergoeding bij aanvang). Maar in de bekende rov. 4 van het Haviltex-arrest oordeelde Uw Raad dat het hof daarmee in de Haviltex-zaak een onjuiste maatstaf had aangelegd:
door uitleg volgens Haviltexeen leemte (“lancune”) in de overeenkomst heeft geconstateerd, namelijk het gemis aan (wilsovereenstemming over) een vergoedingsregeling voor de onderhoudsverplichtingen van [verweerder] na de beëindiging van de overeenkomst. Deze uitleg is grotendeels feitelijk en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat deze uitleg volgens de Haviltex-maatstaf gebeurt, volgt niet alleen uit wat het hof vooropstelt in rov. 10 van het tussenarrest:
en bij hetgeen partijen ter zake over en weer van elkaar mochten verwachten.” (cursivering A-G)
een uitputtende regeling van de vergoedingsrechten zijn overeengekomenen dat [verweerder] dus voor haar na het einde van de overeenkomst bestaande ondersteuningsplicht geen recht heeft op een afzonderlijke vergoeding. Dit staat eraan in de weg dat sprake is van een leemte. Dat er na einde overeenkomst verplichtingen bleven bestaan waarvoor geen vergoedingsregeling is voorzien, is geen begrijpelijke weerlegging van deze punten. Het hof had volgens de klacht Brink in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen tot
tegenbewijsleveringvan dit betoog, indien het hof [verweerder] ’ uitleg dat sprake is van een leemte voorshands had gehonoreerd (en dit deel behelst dus een rechtsklacht).
danverschuldigd” (onderstreping A-G). Het oordeel is dus ingekleed in de omstandigheden van dit geval. Het hof geeft geen oordeel over wat de redelijkheid in het algemeen meebrengt indien voor een na ommekomst van een overeenkomst voortdurende verplichting geen vergoeding is overeengekomen. Ook heeft het hof niet geoordeeld dat het enkele ontbreken van wilsovereenstemming over een vergoeding al meebrengt dat een redelijke vergoeding is verschuldigd. Ook dit onderdeel mist zodoende feitelijke grondslag.
onderdeel 1.4twee klachten:
schade
uitgaande van het oordeel bij tussenarrest dat Brink in 2009 (niet in 2007 en 2008) tekort was geschoten, rekent Brink vervolgens voor wat de schade is die in haar optiek hieruit voortvloeit (uitgaande van een daling in verkoop van haar eigen pakket IBIS-TRAD van 14% in 2009 t.o.v. 2008):
- hij afzonderlijk had moeten beoordelen of Brinks
- de “in beginsel strakke regel” er niet aan in de weg staat dat bij grieven ingenomen standpunten in latere processtukken worden uitgewerkt; verder is sprake van een onbegrijpelijk oordeel, omdat Brink pas
- zijn oordeel in het tussenarrest (dat wat Brink heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat zij haar inspanningsverplichting is nagekomen, dus de
- de goede procesorde meebrengt dat het
onderdeel 2.5), dat de gegevens die Brink heeft overgelegd ter zake van de wel door haar geleverde verkoopinspanningen over 2009 onbruikbaar zijn voor de schatting van de schade omdat vaststaat dat die onvoldoende zijn geweest (
onderdeel 2.6), dat de verkoopinspanningen van Brink in 2009 zouden leiden tot een resultaat dat ten minste 90% was van dat van 2008 (
onderdeel 2.7), en het oordeel in rov. 3 dat Brink haar stellingen op een aantal in rov. 4 te bespreken punten onvoldoende heeft onderbouwd (
onderdeel 2.8).
uitgegaanvan het oordeel bij tussenarrest dat zij, Brink, in 2009 tekort was geschoten en in die sleutel een schadebenadering heeft verschaft. Dat kon niet op deze manier worden gepasseerd.
€ 50.000,-.
onderdeel 3.1zich keert, ook met de klacht dat dit leidt tot dubbeltellingen ten opzichte van de posten uit rov. 8 b en c), welke argumenten ook steek houden tegen de schatting van de behaalde omzet indien Brink het exclusiviteitsbeding zou hebben nageleefd (rov. 8 onder b, waartegen
onderdeel 3.2zich keert, nu ook dit kennelijk is gebaseerd op de [B]-deal en geen (kenbare) rekening is gehouden met Brinks beroep op de historische resultaten van INCAM). De schatting van de na 2010 gegenereerde omzet in verband met Brinks doorlopende afdrachtplicht (rov. 8 onder c,
onderdelen 3.3 t/m 3.5) hangt hier ook mee samen; de subonderdelen bevatten verdere detailklachten over de schatting van deze post (inconsistentie met rov. 13.2 van het tussenarrest, gebaseerd op een schikkingsvoorstel dat deels over andere posten gaat en geen deel heeft uitgemaakt van het partijdebat, zodat dit een ongeoorloofde verrassingsbeslissing oplevert). Dit brengt mee dat rov. 8 in ieder geval onbegrijpelijk is waar het hof Brinks betoog over de schadebegroting niet in aanmerking heeft genomen. Dat raakt de schadebegroting van het hof in de kern. Na verwijzing zal de feitenrechter dit opnieuw moeten beoordelen. Een bespreking van de afzonderlijke subonderdelen kan in het licht hiervan volgens mij achterwege blijven, nu op grond van het voorgaande rov. 8 van het eindarrest al niet in stand kan blijven.